
Hoofdstuk 6 De val
Zoals gebruikelijk ging Henrik ook op de avond van 18 november 1943 naar de gammele bovengrondse schuilkelder. Het was het normale luchtalarm. Hij was zijn bed uit gekropen en had zuchtend zijn spulletjes in zijn witte koffer meegenomen. Die eeuwige routine!
Tot zijn verbazing was IJsbrand er ook, hij had hem alweer tijden niet gezien. Zo vlak bij elkaar en dan zag je elkaar maanden niet. Het kamp zat blijkbaar vol met elkaar ontwijkende mensen.
‘Ah, je leeft nog’ opende IJsbrand
‘De wekker gaat tegenwoordig voor het slapen af’ verzuchte Henrik.
‘Een leven zonder wekker zou…’
De bom wist van niets, hij werd ook maar gegooid, gewoon in het wilde weg. De bom zag eerst mooie donkere wolken en toen een paar straten en wat gebouwen en de rest kon de bom zich niet meer herinneren.
De inslag was enorm, een paar barakken vlogen letterlijk de lucht in. Zo snel dat je toen pas goed kon zien hoe slecht ze gebouwd waren, hout, bedden, bestek, borden en een kachel vlogen de lucht in. Dat was het ongeveer. De resten dwarrelden als in een slow motion film naar beneden.
De lichtflits, de dreun en de luchtverplaatsing (die naar benzine rook) bereikte Henrik in een halve seconde. Hij kon niet eens wegduiken, hij kon niets meer dan staren. Hij zag vuur, hij rook benzine en hoorde geknetter en geschreeuw.
Beiden stonden daar, ongeschonden, terwijl de hel was losgebarsten. De hel, zo was dat dus.
Rook en vuur, dat hadden zijn ouders hem voorgehouden, en je komt er niet meer uit, het is voor eeuwig.
Er volgden meerdere inslagen maar die waren steeds verder weg.
En toen was het stil.
‘Ik ga maar weer eens’, IJsbrand keek Henrik aan, ‘Het ga je goed’.
IJsbrand liep naar de straat en was weg.
Henrik bleef nog uren staan met zijn witte koffer in zijn hand. Hij zag het vuur zich verspreiden, de omgeving was vol met rook. De barakken brandden prima, de een na de ander ging in vlammen op. Henrik ging denken over betonnen muren in een oude mijn. Over Elisa, zijn ouders en zijn broer.
Hij dacht na over wat hij moest doen. Hij stond daar met zijn witte koffer in zijn hand.
Er was geen brandweer, geen hulp terwijl er mensen waren gewond, de dwangarbeider was een derderangs onbelangrijk persoon.
Het vuur verspreidde zich nog meer, gewonde mensen schreeuwden het uit en Henrik zag het gebeuren.
Henrik stond daar met zijn witte koffer in zijn hand tot de zon opkwam.
Hij deed helemaal niets, omdat hij niets kon doen.
Daarna ging hij naar zijn werk.
‘Lekker geslapen?’
Henrik keek Jaite verbaasd aan.
‘Heerlijk, en u?’
‘De buren maakten wat lawaai dus ik heb niet zo goed geslapen’.
‘Het kamp is gebombardeerd, ik heb geen verblijfplaats meer’.
‘Dat was mij al opgevallen’
Jaite dacht na en schonk Henrik een kop koffie in.
‘Wat zit er in die koffer?’
‘Mijn spullen’
‘Zo weinig?’
‘Meer heb ik niet’
‘Waarom is de koffer wit?’
‘Omdat ik de koffer in het donker beter kan zien’
Jaite pakte de telefoon maar er was geen verbinding.
Jaite pakte een boekje en begon er in te bladeren.
‘Misschien kan je bij Ernst logeren’
‘Ernst Winkelmann, die van het feest?’
‘Die van het feest’.
En zo verhuisde Henrik van Reinickendorf naar de Fregestrasse 81 in Berlin Friedenau, een buurt in het zuiden van Berlijn. Het huis van Ernst stond schuin tegenover het gemeentehuis. Ernst liet hem binnen, ging hem voor de woonkamer in en schonk voor beiden een glaasje wijn in.
‘Neu beginnen’ zei Henrik op zijn beste Duits.
Ernst keek hem verbaasd aan.
‘Je kan hier voorlopig blijven, mijn vrouw vindt het goed en je krijgt de logeerkamer. Mijn vrouw heet Charlotte en zij is naar haar werk’.
‘Wat doet zij voor werk?’
‘Gaat je niets aan, sommige dingen moet je niet vragen hier’.
‘Ook goed, het worden wel lange ritten naar Argus’.
‘Daar ga je niet meer heen, je gaat nu voor Organisation Todt werken, je gaat af en toe nog voor Argus op pad maar Albert Speer is je nieuwe baas’.
‘Is dat goed of slecht nieuws?’ vroeg Henrik op de man af.
‘Het goede nieuws is dat Herr Speer niet bereikbaar is en het slechte nieuws is dat je op de loonlijst van Argus blijft staan. Argus wil in de toekomst nieuwe fabrieken bouwen en daar hebben zij jou ook voor nodig. Je krijgt van OT een betere opleiding dan wat je nu al leert. Je gaat naar een ander kantoor, niet ver hier vandaan, Je houdt je salaris en verder verandert er niet zo veel’.
En waar moet ik dan heen? Waar is die Organisation Todt?
Overal, maar die van jou zit in Berlijn, het heet Deutschland II en je moet morgen beginnen, hier aan de overkant van de straat. Niet in de woning van Joseph Goebels op nummer 76 hier tegenover maar in het Rathaus’.
‘En verder verandert er niet zo veel?’
‘Als je niet zo goed kon tekenen was je allang in dat Lager verrot’.
Lieve Moka,
Er is zoveel gebeurd dat ik niet goed weet waar te beginnen. Ik woon nu in Friedenau en ik hoop dat er iets meer vrede hier en nu is dan in Reinickendorf. Ik ben weg uit het kamp, de Engelsen wilden mij daar niet meer. Het was vreselijk. Het hele kamp is weggevaagd. Als ik het goed begrijp ga ik ander werk doen, meer bouwkunde, meer tekenen en meer vrijheid. Ik heb een eigen kamer. Ik weet niet voor hoe lang maar voorlopig is het allemaal uitstekend. Ik eet elke avond mee met E. en C. en we drinken er nog wijn bij ook.
Ik wil je zo graag weer eens zien, ik weet dat het niet mag maar daar kunnen wij toch iets op bedenken?
Lekker kletsen en door Tiergarten wandelen, biertje drinken en over de toekomst praten, nee dromen, want dat is nog leuker. Geen uitgebrande huizen en doden op straat maar gewoon onder de bomen praten en lachen. Dromen over vrede, fotografie en architectuur. De boel weer opbouwen en terug naar een soort normaal leven, wat ik zonder jou overigens helemaal niet kan.
Ik hou het kort, mijn liefste, misschien besta je niet meer en leest iemand anders dit. Al mijn brieven zijn onder het bankje meegenomen maar hoe weet ik nu dat jij dat bent? Laat een teken achter, lieve Moka, laat een teken achter.
Efti
Het Rathaus was schuin tegenover de woning van Ernst en Charlotte en de hoofdingang om de hoek. Henrik had een officiële brief van Ernst meegekregen. Hij liep naar binnen en meldde zich bij de portier.
De officier van dienst haalde Hem op en Henrik nam plaats op een leren stoel met uitzicht op het huis van Ernst en Charlotte.
‘U bent een bekende van de admiraal, u werkt bij Argus en u bent een buitenlander, een vreemde combinatie’ opende de officier het gesprek.
‘En ik woon hier in de straat’ vulde Henrik aan.
‘En u stinkt’ vervolgde de officier.
‘Ik heb niet veel kleren en kan niet altijd wassen’.
‘Welkom in Berlijn’, het ijs was gebroken.
De officier begon een lang verhaal over de glorie van OT, hoe de organisatie al veel had bijgedragen aan verdedigingswerken maar nu zich ging bezighouden met de verdediging van Berlijn zelf.
De bombardementen werden steeds intensiever en de bevolking moest beter worden beschermd.
Dat was overigens maar van tijdelijke aard want de vijand zou toch uiteindelijk verliezen.
‘U krijgt een test om te kijken hoe u problemen kunt benoemen en oplossen.
Als u niet slaagt dan wordt u ingelijfd bij de dwangarbeiderssectie en als u wel slaagt dan krijgt u een volwaardige opleiding om zelfstandig bouwwerken te ontwerpen en uit te voeren, koffie?’
Het zweet brak Henrik uit, goddomme wat nu weer?
De officier schonk twee koffie in en begon met vraag 1:
‘Wat heeft Hitler niet goed gedaan?’
Henrik dacht na, dit is een instinker. Hij heeft of alles goed gedaan of hij heeft niets goed gedaan. Alles of niets dus, dat is niet zo moeilijk maar Henrik realiseerde zich dat hij die Hitler helemaal niet kende, wist hij veel, het was oorlog en dat was het enige wat hij wel wist.
Of zou er nog iets tussenin zitten zonder die leider de hemel in te prijzen waarmee hij aangaf niet zelfstandig te kunnen denken en dus een probleem had? En als hij alles zou kiezen dan waren zijn dagen geteld.
‘Hij had misschien de OT hier in Berlijn eerder moeten inschakelen’
‘Oh ja, hoezo?’
‘Bombardementen en te weinig schuilkelders’
‘Die bombardementen zijn maar tijdelijk, dat heeft Hitler zelf gezegd’.
‘Maar de schuilkelders niet, het houdt de OT aan het werk en er komt een permanente bescherming van de bewoners van Berlijn’.
‘En als de bombardementen ophouden wat doen we dan?’
‘Dan breiden we de schuilkelders uit en stoppen daar onze fabrieken in die bombardementen voor altijd volledig overbodig maken want de fabrieken zijn onbereikbaar voor de bommen geworden’.
‘Hoe gaan wij dat bouwen?’
‘Met beton’.
‘Wat is het nadeel van beton?’
‘Gevoelig voor vocht’
‘Hoe gaan wij dat oplossen?’
Henrik dacht na, zijn bezoek aan Silezië had hem duidelijk gemaakt dat, afgezien van die malle maatvoeringen, er een probleem was met het ondergronds werken met beton. Daar zat hij al weken over na te denken, hij wist dat er een oplossing zou moeten zijn maar hij wist eigenlijk helemaal niets van beton.
‘Proberen beton te ontwikkelen wat daar niet gevoelig voor is’.
‘En hoe doen wij dat?’
‘Experimenteren met ander samenstellingen en misschien een soort blokkendoossysteem maken waarbij allerlei elementen makkelijker in elkaar passen zonder dat wij met houten mallen elke keer alles opnieuw moeten maken.
En toen kwam vraag 2.
‘Wat heeft Hitler wel goed gedaan?’
‘Hij heeft de OT in Berlijn ingeschakeld’.
De officier stond op en zei:
‘Meekomen, wij gaan naar de martelkamer’
Henrik trok bleek weg, stond op en liep de officier achterna.
Zij liepen naar de kelder via hele brede trappen tot een smalle trap die nog een verdieping naar beneden leidde. De officier opende de deur en Henrik zag een ruimte vol met uniformen, dozen en een paar paskamers.
De officier lachte: ‘Dit noemen wij de martelkamer, hier krijgen nieuwe leden hun uniform en dat wordt zo goed mogelijk op maat gemaakt’.
‘Ammehoela, was het maar zo’ klonk er vanuit een paskamer.
‘Ah, dat is Johan Den Hollander en die komt ook uit jouw land’.
De officier salueerde en vertrok en Henrik was voor het eerst oog in oog met Johan, de foeragemeester van OT Berlin Deutschland II.
‘Dag Johan, wat zit u hier leuk’
‘Ammehoela, was het maar zo’
‘U komt ook uit Nederland?’
Henrik keek Johan aan, Johan was een stuk ouder dan Henrik, hij had zijn vader kunnen zijn.
‘Wat brengt u hier?’ vroeg Johan.
‘Ik had net een gesprek over Hitler en beton en moest toen mee naar de martelkamer’.
‘ Zo wordt het genoemd en dat komt door mij’.
‘Hoezo’?
Ik was grensbewaker in 1914, in het Nederlandse leger, daarna was ik bewaker in een gesticht in Norg en toen de oorlog uitbrak heb ik dienstgedaan op de Grebbenberg als foeragemeester.
‘Wat deed een foeragemeester op de Grebbenberg’?
‘Die deelde kleren uit net als hier’.
‘Op de Grebbenberg’?
‘Op de Grebbenberg’.
‘En toen’?
‘Toen werd ik krijgsgevangene en met wat omzwervingen ben ik hier beland’.
‘Maar waarom heet dit de martelkamer’?
‘Ik meet die klootzakken van top tot teen op, armen, benen, schoenmaten en treiter ze met aanpassingen, knoopje hier, knoopje daar, broek innemen, mouwen iets langer en weet ik veel. Zij moeten altijd terugkomen.
Het is wel de norm hier in dit land, de uniformen moeten naadloos passen en ik doe daar vrolijk aan mee, het is mijn vorm van verzet’.
‘Waarom’?
‘Omdat zij mij daarom haten maar zij kunnen niets doen’.
Henrik werd opgemeten en de conclusie was dat het zeker een week zou duren voordat hij zijn drie uniformen kon ophalen.
Henrik kreeg een week vrij maar was wel aangenomen.
De week die volgde was er een van rust en gezelligheid.
Ernst en Charlotte hadden besloten dat Henrik eens goed verwend moest worden. Zij namen hem mee naar de dierentuin in Tiergarten en Henrik hield wijselijk zijn mond over dat gebied wat hij kende als zijn broekzak.
Een week later meldde hij zich weer bij Johan.
Bij het eerste uniform bleek dat de linker broekspijp een halve centimeter korter was dan de rechter. Ook de linkermouw was korter. Het tweede uniform was bijna perfect maar er ontbraken drie knopen. Bij het derde uniform ontbraken de versierselen die bij het uniform hoorden, de OT-symbolen waren er niet terwijl er toch twee strepen op de rechter mouw moesten staan.
Henrik kreeg weer een week vrij en intussen was het 16 december 1943. Die nacht bracht Henrik door in een schuilkelder. Het leek alsof de zuidkant van Berlijn aan de beurt was. De ene inslag na de andere en de schuilkelder schudde als een schip op zee. Henrik stond daar met zijn koffertje en kwam er 6 uur later achter dat hij geen huis meer had. Het huis van Ernst en Charlotte was volledig weggevaagd.
Waar waren Ernst en Charlotte?
Bliep!
Oh Elisa, waar ben je toch? Ik lig hier maar, ik ben net een kasplantje op leeftijd. Ze geven me wel water maar de kas blijft dicht, ik wil naar huis, naar jou, naar onze studio, onze straat en vrienden. Ik wil weer ons clubhuis in en praten met onze kameraden. Muziek, dansen en je hand vasthouden. Jazz, discussies, rokerige avonden tot diep in de nacht. Dan naar huis en verdwijnen in je armen. En dat allemaal voor een betere wereld.
Bliep!