Hoofdstuk 3

De Hondsdagen

 

Op zondag 25 juli liepen IJsbrand en Henrik van de Roedernallee (het kamp) naar de Bellevuestrasse. Het was prachtig weer en zij wisten nog niets van het begin van de verwoesting van grote delen van Hamburg die sinds gisteren gaande was. Berlijn was nog grotendeels intact. Althans zo leek het op het eerste gezicht. Omdat de wandeling naar het centrum meer dan een uur duurde kwamen ze soms langs plekken die ze liever niet zagen. Vanuit de S-Bahn zag alles er nog redelijk intact uit maar tijdens de wandeling zag je vernielde huizen en straten. Zij besloten om door het park naar de Moka Efti te gaan.

‘Zou de oorlog ooit aflopen?’ vroeg IJsbrand.

‘Oh ja, en dan begint de volgende’

Henrik keek naar een oude vrouw die met een rieten koffertje over straat liep en hij moest meteen aan zijn moeder denken. Hoe zou het met haar gaan?

De wandeling door Tiergarten was prettig, een mooi park en geen uitgebrande huizen, het was bijna een idyllische plek. Biertje?

En zo belandden ze in de Moka Efti op een manier die wat anders was dan normaal. De chef ober kwam ze tegemoet en in plaats van een verwachtte ‘ga maar ergens achteraan zitten’ boog de ober als een knipmes en begeleidde de twee vrienden naar een tafel vooraan bij het orkest. ‘Vrienden van de Admiraal zijn mijn vrienden’ en zo kwam het dat ze gratis bier en kleine hapjes kregen aangeboden ‘van het huis’.

Het orkest speelde John Abriani – I'm An Old Cowhand From The Rio Grande’’ in het Duits en door het volume ontdekten ze dat de werkelijke reden van die voornaamheid in de Moka Efti, het vooraan zitten bij het orkest, niet was omdat het zo elitair was maar omdat je dan kon zeggen wat je wilde want alles werd overstemd door het orkest. Je moest dus bijna schreeuwen om je verstaanbaar te maken. Vandaar die herrie.

Toen Elisa binnenkwam zag ze haar Hollandse vrienden niet meteen maar dankzij de ober die terwijl hij ‘vrienden van de Admiraal zijn mijn vrienden’ mompelde bracht hij Elisa naar het tafeltje van Henrik en IJsbrand en was zij blij om Henrik te zien. Die ander deed er in haar hoofd niet zoveel meer toe en zij wist eigenlijk niet waarom dat zo was.

 

‘Zo, Amsterdamse vrienden, hoe gaat het nu?’

Elisa ging zitten en de beide mannen keken haar vragend aan.

‘Wat zei u? U moet wat harder praten!’ zei Henrik

Net op het moment dat er een korte maar hevige drumsolo was boog Elisa naar de mannen en zei: 

‘ Ik wil een ander leven’.

Waarbij IJsbrand ‘ Ik wil een ander’ en Henrik ‘ Ik wil een ander, even’ verstond.

IJsbrand nam een besluit, dit is iets tussen Henrik en Elisa dacht hij en stond op en schreeuwde (net in een kort pauze tussen de drumsolo en de inzet van de saxofoon): ‘Ik ben weg, ik heb meer te doen en die klotemuziek hangt mij de keel uit’.

Het orkest stopte en keek ontzet naar het drietal en daarom werd  Piccolino - spiel uns ein kleines Lied ! door Georg Nettelmann ingezet om de boze blikken van de andere gasten weer om te toveren naar de oude bekende Berlijnse gezelligheid.

En dat lukte, IJsbrand gaf een paar handkusjes naar het orkest en vertrok en Henrik en Elisa bleven samen achter in de rokerige en lawaaierige Moka Efti.

Onwennig met de nieuwe situatie bestelden zij nog wat. Elisa wilde thee met gebak en Henrik sloot zich daar bij aan, echter zonder gebak, dat was hem te zoet. Toch legde Elisa een heel klein stukje taart op een schoteltje voor hem en zo was een eerste gewoonte geboren. Die gewoonte zou er altijd in blijven.

 

 

 

 

 

 

Uiteindelijk verlieten zij de lawaaierige Moka Efti en wandelden langs de Kroll Opera naar het park richting de Siegessäule, midden in Tiergarten stond het kolos de wacht te houden.

‘Ik ben dol op dit park want de bomen geven mij vreugde’ Elisa bukte en pakte een stuk papier van de grond:

Ein deutsches Flugblatt - Manifest der Münchner Studenten.’ luidde de titel.

Elisa keek om zich heen las de tekst en zei: ‘kijk nu eens’!

Zij gingen op een bankje zitten en samen lazen zij fluisterend de tekst die door de RAF was gestrooid over Berlijn: het manifest van de Witte Roos: 

"De dag van de afrekening is gekomen, de afrekening van de Duitse jeugd met de verfoeilijkste tirannie die ons volk ooit heeft ondergaan. In naam van het gehele Duitse volk vragen we aan de staat van Adolf Hitler onze persoonlijke vrijheid terug, het kostbaarste bezit van de Duitsers, omdat hij ons op de erbarmelijkste manier bedrogen heeft."

 

Het was even stil.

‘Daarom wil ik een ander leven’

‘Oh, ik verstond eerder dat je een ander voor even wilde’ antwoordde Henrik.

‘Ik heb geen ander en ook niet voor even’.

‘Ah, mooi’

In gedachten verzonken liepen zij verder, het papiertje lieten zij liggen voor een volgende bezoeker. Bij de Zigarrenständer (zoals de Siegessäule ook wel werd genoemd) was het rustig. In het midden van het knooppunt van Tiergarten stond de sigaar omringt door bekende standbeelden die uit voorzorg vanwege de bombardementen daar waren neergezet. Een park wordt niet gebombardeerd is de algemene ervaring.

Van onderen doet de sigaar een beetje Grieks aan maar meer naar boven zie je een meer Pruisische zuil met daar bovenop Victoria, de godin van de overwinning en niet de oude Engelse koningin.

‘Vijf jaar geleden stond dit ding nog op de Königsplatz maar is verplaatst omdat ze na de gewonnen oorlog hier de wereldhoofdstad Germania gaan neerzetten’ vertelde Elisa met enig sarcasme.

En weer wilde Henrik architect worden.

Ze liepen de benedenzaal in met de glas-in-loodramen vol met slagvelden en oude Franse en Duitse kanonnen. Ook hing er een luchtballon in de lucht.

Elisa lachte: ‘Op zoiets als dit ben ik als fotografe in Stettin afgestudeerd’.

‘Dan ben je in ieder geval op iets afgestudeerd’.

‘Jij niet dan?’

‘Nee, studeren kon niet meer, naar school gaan ook niet, het kon niet meer in Amsterdam’

‘Ah, vandaar dat je hier een ingenieur bent, maar ik vind fijn dat jij hier bent’

De eerste kus kwam pas nadat ze de sigaar hadden beklommen en uitkeken op de eerste ruïnes van Berlijn.   

Elisa boog zich iets naar voren om naar beneden te kijken. Henrik deed hetzelfde en zo staarden ze de afgrond in. Technisch gezien was de eerste kus niet echt een hoogstandje. Elisa en Henrik draaiden zich tegelijkertijd naar elkaar en hun hoofden botsten hardhandig omdat ze vanwege de aantrekkingskracht en de liefdesmagneet veel te dicht naast elkaar stonden en zij werden opgeschrikt door het gesnater van een vogel boven hen.

Het was een adelaar, maar dan een echte, of was het een arend?

‘Daarom mogen vrouwen hier niet met buitenlanders omgaan, ze zoenen te hard’ Elise wreef over haar jukbeen en Henrik voelde aan zijn neus. ‘Kom hier Amsterdammer en geef mij eens een echte’ fluisterde zij geheimzinnig.

En zo kwam het dat Henrik zijn eerste liefdeskus gaf, 19 jaar oud, boven in een overwinningsmonument genaamd de Sigaar dat als enige min of meer ongeschonden de oorlog zou overleven.

Later gingen ze naar de bioskoop. “Der Tag nach der Scheidung” een oude film van Paul Verhoeven.

Henrik vroeg zich wel af waarom zij gingen scheiden en wat die verdomde jonge piloot Julian Bork nu eigenlijk wilde, maar gelukkig kwam alles goed want het was een komedie.

De tweede kus was zacht en zoet en sloot de zondag mooi af. Zij spraken voor de volgende week weer af bij de Sigaar. Elisa vertrok en verdween in het niets leek het wel.

´Nu ben ik de sigaar´ mompelde Henrik in zichzelf.

De volgende dag moesten IJsbrand en Henrik zich melden bij Jaite, de chef van de tekenkamer. Hij vertelde dat morgen de admiraal de Argus fabriek kwam bekijken en, omdat zij geen scenes wilden met de twee ingenieurs, zij een vrije dag kregen en wat extra geld om die dag naar eigen genoegen door te brengen. Jaite gaf hen twee enveloppen met daarin een extra half maandsalaris.

‘Wat zullen wij gaan doen?’ opperde IJsbrand.

‘Moki, wat anders?’

Henrik vertelde IJsbrand over zijn lotgevallen met Elisa. Hij vertelde niets over de sigaar, de kus, het pamflet van de Witte Roos maar wel over de film.

‘Romantisch, een film over een echtscheiding, gaan jullie trouwen?

‘Ooit’ antwoordde Henrik.

‘En daarna scheiden?’

‘Nooit’.

Die nacht brachten zij door in de provisorische schuilkelder van hun kamp. Zij lagen nog maar net in bed toen het luchtalarm afging. Bescherming was er niet maar je moest daar wel naar de nepschuilkelder. Henrik zag de schijnwerpers, hoorde de Flaks schieten terwijl er bommen vielen, en zag in de verte een rode lucht. Mocht hun schuilkelder geraakt worden dan wisten zij dat Argos dan in ieder geval nieuwe dwangarbeiders nodig had. De bombardementen duurden tot 5 uur in de ochtend en om 7 uur maakte de kampcommandant iedereen wakker met het slaan op het ijzeren dak, met een knuppel. Hij werd de bovenknuppel genoemd.

 

 

IJsbrand en Henrik bleven lekker liggen, met een extra vrije dag en een zeer gevulde beurs zouden zij in ieder geval een rustige en ontspannen dag gaan meemaken.

Zij namen de S-Bahn naar het centrum en daar aangekomen zagen zij dat er nog meer was vernield. Rookpluimen hingen over de stad. Er liepen mensen met handkarren en kruiwagens met wat bezittingen door de straat. Mannen en vrouwen waren met emmers puin aan het doorgeven om het op een andere overbodige hoop te gooien. Er was een zachtjes huilende vrouw met haar handen over het gezicht. De stilte van haar verdriet was enorm. Ze zagen voor het eerst dode mensen uit kozijnen hangen. De stank was verschrikkelijk.

Op een hoek van de Friederichstrasse hebben zij nog geholpen met puinruimen. Het was echt een toekomstig Berlijns dagje uit op een doordeweekse dag maar dat wisten zij nog niet.

Henrik en IJsbrand spraken niet veel. Zij hadden het zich toch anders voorgesteld. Wat een ellende en zij waren hier niet eens voor de lol of overtuiging. Voor het eerst kroop er een besef naar binnen wat zij nooit hadden gekend. De oorlog en al het geweld kwam nu echt op ze af.

En toch gingen ze na het weghalen van een paar lijken en wat stenen naar de Moka Efti. Het was rustig in de zaak, de ober herkende hen wederom maar zette ze toch weer achteraan terwijl er niet eens een orkest speelde. Zij bestelden bier en worst.

‘Goddomme, wat een puinhoop’ Henrik keek IJsbrand verwilderd aan.

IJsbrand nam een slok:

‘Wij moeten hier overleven want naar huis kunnen wij niet’.

‘Dat klopt, wij hebben een stempel in ons paspoort dat wij Berlijn niet uit mogen’.

‘En toch zijn zij begonnen en dat gaat ze opbreken’.

‘En wij zitten er midden in’.

‘En wij komen er misschien nooit meer uit’.

De beiden heren bestelden nog wat bier en keken mistroostig uit het raam. Wat een dag.

De zaak begon vol te lopen, het was een dag dat Berlijn weer grondig was gebombardeerd en dan heb je wel een verzetje nodig. Er kwam zoveel volk binnen dat de eigenaar met spoed het huisorkest liet aanrukken. Na een uur was de Moka helemaal vol met mannen in uniformen, hun echtgenotes en kinderen. Het orkest speelde alsof hun leven er van af hing.

Henrik en IJsbrand waren niet onder de indruk, zij waren teveel bezig met hun eigen toekomst. Voor het eerst zagen zij het contrast met het heden en wat er zou kunnen komen. Dwangarbeiders waren niet populair maar voor Nederlanders, Belgen en Fransen was een soort uitzondering gemaakt. Zij hadden het beter dan de Russen, Polen en Tsjechen maar dat wisten zij niet. Zij konden in ieder geval overal naartoe en kregen een salaris en bouwden soort pensioen op wat nooit zou worden uitbetaald.

Zij zaten op hun door Argus duurbetaalde vrije dag met heimwee naar huis en zorgen naar de toekomst in de Moka Efti omdat hun baas ze niet wilde zien.

‘Laat ze maar de tering krijgen’ zei IJsbrand, ‘we gaan zuipen en vreten tot wij er bij neer vallen en dan nemen wij een taxi naar ons kamp’.

En zo kwam het dat zij een maaltijd bestelden die niet op de bon was maar voor Berlijnse begrippen bijna onbetaalbaar was.

Zij aten verse radijs met lamsbout, knoflook en verse peper (Henrik had tranen in zijn ogen) met gebakken aardappels en aardbeien met slagroom als nagerecht.

Met een fles Franse wijn.

En koffie met cognac en het was pas 4 uur in de middag.

De stemming werd er wel beter van.

Opperbest eigenlijk.

Net op het moment dat zij de rekening wilden betalen stopte er een limousine met motoragenten voor de deur. Dat hoorden ze, met volle sirenes en piepende remmen hielt het gezelschap stil voor de Moki en twee agenten en een hoge piet met pet en strepen stormden de zaak binnen.

‘Wij zoeken twee Amsterdamse ingenieurs’ brulde de streepmijnheer.

De ober wees naar Henrik en IJsbrand.

‘Meekomen’ riep hij naar de ingenieurs.

Zonder de rekening te betalen (die werd betaald door de strepenmijnheer) werden ze in de limo naar de Argusfabriek gereden.

Onderweg passeerden zij de heenweg in omgekeerde volgorde die zij hadden gelopen. Normaal gingen zij met die S-Bahn en die was het zo slecht nog niet, heel efficiënt en altijd op tijd en genoeg verwijderd van gebombardeerde straten.

De motoragenten zorgden voor een zeer snelle terugtocht, al het verkeer viel stil en op sommige plekken werd de Hitlergroet gebracht zover IJsbrand en Henrik dat nog konden zien want zij werden steeds afgeleid door de officier. Hij was vol lof over de ingenieurs en vroeg of hun verblijf in Berlijn beviel.

‘Heel goed’ was het antwoord.

Aangekomen bij de fabriek werden zij meteen naar de directiekamer gebracht. De admiraal zat met zijn voeten op het bureau met de directie om zich heen. Er stonden wat lege flessen op het bureau.

Bij de binnenkomst van de ingenieurs viel er een stilte.

De heren ingenieurs bleven voor het bureau staan en de admiraal nam het woord:

‘Het was een bijzondere dag hier. Argus is een voorbeeld voor de natie en gaat uitbreiden. Er komen fabrieken bij en jullie, omdat jullie voorbeelden voor anderen zijn, gaan daar aan meewerken. Mijn nicht is erg over jullie te spreken en dat ben ik niet vergeten, vooral omdat zij de laatste tijd een stuk vrolijker is. Blijf echter wel een beetje uit haar buurt. Verder dan de Moka Efti mag niet. Onze vrouwen mogen niet met buitenlanders omgaan maar voor jullie is er dus een kleine uitzondering. Moka Efti en verder niets.

Goed, ik ga er vandoor, de details horen jullie van de heer Jaite’.

 

De admiraal stond op, salueerde en verliet de kamer. Buiten kwetterden de vogeltjes en binnen was het even stil.

Jaite nam het woord en zo kregen de beide ingenieurs een nieuwe baan. IJsbrand ging zich specialiseren in fundering en algemeen toezicht en Henrik kreeg een interne opleiding tot betontekenaar en opzichter.

En zo, op die dinsdag werd het helemaal onmogelijk gemaakt om met verlof te gaan. Zij mochten Berlijn nooit meer verlaten vanwege de zwaarte van hun beroep. Echter, zij moesten wel in het lager blijven want zij, de directie, wilde geen scheve ogen.

Woensdag werkten IJsbrand en Henrik in andere kantoren. IJsbrand was een etage naar beneden en Henrik juist een naar boven geplaatst. En zo kwam er een eind aan hun gedeelde kantoorbestaan.

 

 

Op donderdag dag kreeg Henrik de eerste lessen betontekenen. Het was anders dan hij had verwacht. Er kwam wiskunde aan te pas. Hij kreeg ook met nieuwe begrippen te maken: de kegel van Abrams, uitvloeimaat, schudmaat, bekistingsdruk en nog wat zaken.

Maar Henrik leerde snel en keek uit naar zondag en een bezoek aan de Sigaar.

Die middag wandelde hij terug met IJsbrand, ze waren die dag op hetzelfde tijdstip klaar en dat maakte de wandeling naar de barakken weer als vanouds.

‘Ik heb het gevoel dat wij uit elkaar worden gehaald’

‘Dat komt omdat zij niet van hoog intellectuele drankorgels houden’ antwoordde Henrik.

‘Dat komt omdat zij zelf nooit intellectuele drankorgels kunnen worden en dat heet jaloezie’

‘Dat komt omdat zij meer hebben dan wij en toch meer gaan kwijtraken dan wij’

‘Dat komt omdat als je niets hebt je nooit iets kan verliezen’

‘Dat komt omdat als je alles verliest je niets hebt gewonnen’

 

Zij keken elkaar aan en in plaats van rechtsaf de Roedernallee in gingen zij rechtdoor en daarna linksaf richting het centrum van Reinickendorf. Zij liepen langs het kleine kerkje op het plein en doken de eerste de beste kroeg in, zij hadden namelijk nog een half maandsalaris in hun broekzak, een rotbui en geen zin om meteen weer naar de treurbarakken te gaan.

‘Er zijn twee Moka Efti’s dus...’

Henrik keek IJsbrand vragend aan.

‘Op de Friederichstrasse is er ook een. Blijf jij maar met Elisa daar naar de Bellevuestrasse gaan, in de Bellevuestrasse worden jullie in de gaten gehouden. Ik ga voortaan naar de Friederichstrasse en jij naar de Bellevue, dat lijkt mij beter’.

De afspraak was gemaakt en zo keerden zij zwijgend terug naar de lager, wetend dat het nooit meer als vroeger zou worden.

Zij liepen nog wel gezamenlijk naar de fabriek (en deelden een kamer in het lager) maar hun werktijden werden wat onregelmatiger en soms waren ze op het zelfde moment klaar en konden zij op de terugweg nog wat ervaringen uitwisselen wat in de barak niet meer kon. Ongemerkt en heel langzaam groeiden zij uit elkaar. En na drie weken werd IJsbrand overgeplaatst naar een ander lager in de buurt.

Jaite bleef wel hun chef want Jaite was eindverantwoordelijk voor de ontwerp- en tekenkamer van Argus Motorenwerke in Reinickendorf, Berlin, de ontwerper en bouwer van de motoren van de latere V1 en V2

 

Bliep!

Ik zag iets wits, een vage verschijning boog zich over mij en voelde aan mijn pols. De vage witte vogel fladderde weg en kwam weer terug. Ik voelde een prikje in mijn bovenarm en de witte vogel werd vager en vager tot deze helemaal verdween en er een grijze mist voor in de plaats kwam.

In de grijze mist vormde zich wolken en ik vloog als een vogel door dit wolkendek en maakte ineens een rondje over de Siegessäule in Berlijn. Ik zag mijzelf en Elisa op onze eerste zoendag. Ik vloog dichterbij en probeerde te roepen:

‘Elisa, pas op, je gaat je hoofd nog eens stoten!’

Meer dan wat gekraai kwam er niet uit. Het was al te laat.

Bliep!