Hoofdstuk 5

De architectuur begint

 

 

‘Een architect is afhankelijk van iedereen. Een architect kan wel een goed idee hebben maar dat wil niet zeggen dat het wordt uitgevoerd. Als je in een wijk met veel beton komt met het idee om glas en staal te gebruiken dan ben je briljant. Andersom net zo. Dan moet het ook betaalbaar zijn en goede ideeën zijn onbetaalbaar zoals wij allemaal weten. Dan moet je compromissen sluiten, dat mooie glazen dak wordt dan een afgestompt stukje hout met een paar ramen.

Dan moet het worden goedgekeurd en dan gaat de ambtenarij er nog eens overheen. Dat briljante idee is dan alleen nog maar een schim van wat het was. En je moet ook nog eens goed kunnen babbelen, is dat wat je wilt?’ vroeg Johan Richter.

Het feest was begonnen. Henrik had de dag van tevoren zijn vale overhemd gewassen met een soort blauw wasmiddel en zijn enige colbert goed afgestoft. Zijn schoenen had hij met wat boter min of meer opgepoetst en hij had op weg naar het feest een witte roos uit een tuin gestolen.

De ontvangst was hartelijk. Jaite had gelukkig zelf de deur geopend en Henrik gaf de roos aan zijn vrouw.

‘Hoe weet je dat wij van witte rozen houden?’

Hij werd voorgesteld aan een aantal mensen, kreeg een glas wijn in zijn handen. Henrik kende (behalve champagne) geen wijn en dacht dat het limonade was. De stemming was prima, wat een leuke mensen wonen er in Berlijn dacht Henrik.

Johan vertelde hem vooral te praten over waar hij goed in is, niet over het dagelijks leven.

‘Ik ben goed in babbelen’ antwoordde Henrik.

‘Ah, juist, maar ben je ook goed in liegen?’ vroeg Johan.

‘Liegen is de waarheid in je eigen voordeel vertellen’

‘Maar wat is het voordeel dan?’

‘Rust’ Henrik keek naar zijn lege glas.

Johan stond op en liep weg om daarna met twee glazen wijn terug te keren.

‘Als je kijkt wat hier allemaal gebeurt dan zijn er binnenkort wel veel architecten nodig’

Henrik was ineens op zijn hoede.

‘In heel Europa denk ik’

‘Wat vind je eigenlijk van de oorlog?’ vroeg Johan.

‘Door de oorlog ben ik hier, zonder oorlog was ik nog thuis’.

‘En dan had je hier niet gezeten’, Johan begon er lol in te krijgen.

‘En wat vind je van de Führer?

‘Die ken ik niet, ik heb hem nooit ontmoet’

‘Maar dat is onze leider en leiders ontmoet je niet vaak’

Henrik begon een betoog dat leiders eigenlijk niet bestaan. Leiders zijn een soort mensen die alleen maar willen leiden zonder controle. En zonder controle wordt een mooi glazen dak een afgestompt stukje hout met een paar ramen. En een afgestompt stukje hout met een paar ramen is niet een glorieuze wereld. En een glorieuze wereld bestaat niet zonder dromen en Henrik eindigde met de constatering dat sommige dromen van anderen voor anderen nachtmerries kunnen zijn.

‘Weet je eigenlijk wel dat je, als je dit soort verhalen op straat zou vertellen je waarschijnlijk niet meer zou leven?’ vroeg Johan.

‘Ik weet dat ik leef maar mijn leven is wel een beetje onleefbaar geworden’

‘Hoezo?’

‘Ik kan niet doen wat ik wil, ik ben geen vrij mens, wat dat ook mag zijn’

‘Misschien is niemand een vrij mens’ antwoordde Johan.

‘Een vrij mens bestaat misschien niet maar een geknecht mens wel’

 

 

Henrik realiseerde zich dat hij misschien te ver was gegaan. Waarom was hij toch zo’n babbelaar? Hij kende Johan (nota bene een vriend van een van de directeuren) niet goed en die paar glazen wijn bleken toch geen limonade te zijn maar hij vond het gesprek met Johan wel prettig, geruststellend was niet het goede woord, maar op een of ander manier kwam die Johan hem sympathiek over.

Het gesprek met Ernst Winkelmann was weer heel anders. Henrik was even naar de tuin gegaan om andere gasten te ontmoeten, het was die dag erg warm.

Ernst Winkelmann en Jaite stonden in de tuin te praten. Henrik, omdat hij eigenlijk terug naar zijn Lager wilde, hoopte hij om op een nette manier afscheid te kunnen nemen maar Ernst was in een andere bui. Hij zat een beetje op zijn praatstoel en had wel behoefte aan wat gezelschap.

‘Is dat een vriend?’ vroeg Ernst aan Jaite.

‘Dat is Henrik, een Hollander die bij ons op de tekenkamer werkt’

Henrik gaf Ernst een hand.

‘Leuk feest, vindt u niet?’

‘Dit is geen feest, dit is een bijeenkomst’ antwoordde Ernst.

‘Dit is een bijeenkomst van mensen die de oorlog zat zijn.’

‘Weinig gasten’, Henrik nam een slok.

‘Die komen nog’.

‘Vanavond?’

‘Hopelijk volgend jaar’

‘Als we er nog zijn’.

‘Als we er nog zijn’.

Een vriendschap was gesloten.

Een uur later ging Henrik terug naar het lager, hij was moe en in de war. Wat was dit voor feest? Vroeg hij zich af. Allemaal aardige mensen. Geen gewauwel over de partij. Geen uniformen. Geen vragen over zijn lager. Geen vragen over zijn werk. Gewoon een leuk feest met aardige mensen.

De volgende dag trof hij Elisa in de Moka Efti. Elisa was stil en keek somber uit haar ogen en zei:

‘Ik mag je niet meer zien.’

Henrik keek haar met ongeloof aan.

‘Het is mij verboden om met buitenlanders om te gaan, ik ben in militaire dienst en zij vinden het niet passen. Orders van de admiraal, mijn eigen oom.’

En nu?

‘Wachten tot de oorlog voorbij is’

‘Dat wordt dan lang wachten’.

‘Misschien’

‘Maar ik wil weten hoe het met je gaat’

‘Ik ook’

Henrik dacht na.

‘Dat bankje in het park, is dat iets?’

‘Nee, te gevaarlijk’

‘En kunnen wij elkaar brieven schrijven?’

‘Nee, alles wordt gelezen’

‘Behalve als we onze post anders aanbieden. Wij plakken onze brieven onder de bank, de ene week jij, de andere week ik. Onder een schuilnaam, als iemand ze leest dan blijven wij onbekend.

Moka wordt jouw naam en Efti de mijne.’

En zo werd het afgesproken. Henrik en Elisa keken elkaar aan.

‘Wij gaan elkaar niet verliezen’

Elisa stond op, keek om naar het orkest en de mensen aan de kleine tafeltjes. Henrik zag tranen in haar ogen toen zij het pand verliet.

Henrik bestelde nog een paar biertjes om niet de indruk te wekken dat hij haar wilde volgen. Henrik voelde zich eenzamer dan ooit.

De volgende dag, maandag 23 augustus was Henrik niet in goeden doen.

Henrik was misselijk en ongelukkig.

Die dingen gaan wel vaker samen maar dit had met liefde te maken.

Tijdens de koffiepauze had Jaite hem op zijn kantoor ontboden.

Jaite had betere koffie dan de kantine dus Henrik vond dat prima.

‘Hoe vond je het feest?’

‘Het mooiste feest in tijden, aardige mensen en ik was vereerd erbij te zijn.’

‘Hoe was je vorige feest dan?’

‘Er was nooit feest in Amsterdam, mijn ouders vonden dat niet passend’

‘Hoezo?’

‘Wij hadden thuis nooit feest omdat er niets te vieren viel.’

‘Je moet de groeten van Ernst hebben’

Jaite keek naar een tekening die op zijn bureau lag.

‘Waarom leiden wij jou op tot betontekenaar terwijl wij vliegtuigmotoren maken?’

‘Dat vroeg ik mij ook al af’.

‘Ah, heb je zin in een avontuurtje?’

 

Henrik had daar best wel zin in maar begreep dat pas toen Jaite de telefoon pakte en iets mompelde en meteen twee medewerkers de kamer in liepen en hem naar een auto brachten met de mededeling dat er misschien een avontuur wachtte.

Hij werd in een auto geduwd en werd naar vliegveld Tegel gebracht. Henrik werd naar een vliegtuig gebracht, een Arado Ar 66, een trainingstoestel.

Naast de dubbeldekker stond de piloot.

‘Goedemorgen, mijn naam is Heinrich, wij gaan zo een stukje vliegen’.

‘Mijn naam is Henrik, gaan we echt een stukje vliegen?’

‘Ja, en wij gaan de Argus motor van dit vliegtuig een beetje testen’.

 

Henrik werd achter de stoel van de piloot gezet. Hij kreeg een leren piloten pet opgezet met een Leitz vliegeniersbril. Hij werd vastgesjord aan de stoel en hij kon geen kant op. Als laatste drukte iemand op een knop aan een ding bij zijn keel en hij kon ineens met de piloot Heinrich spreken die de eerste handelingen voor de vlucht uitvoerde.

De motor werd gestart en langzaam reed het vliegtuig naar de startbaan.

‘Rustig blijven ademhalen en nergens verder aankomen’ meldde Heinrich vrolijk terwijl het vliegtuig de startbaan opdraaide.

‘Hou je vast, we gaan’

En zij gingen. Henrik zag de grond onder zich verdwijnen en voor dat hij het wist zaten zij boven de wolken. Dat had hij nog nooit gezien, wolken vanaf de andere kant. Het was zonnig, de wereld was mooi, zo mooi had hij het nog nooit gezien.

‘Wat is dit mooi, zoiets heb ik nog nooit gezien’ riep Henrik.

‘Wij zijn er nog niet, het begint pas, hou je vast’

Het vliegtuig dook tollend naar beneden en Henrik zag de wolken op hem afkomen, het vliegtuig draaide bij en vloog door de wolken naar beneden. Henrik zag Berlijn vanuit de lucht. Henrik zag hoe groot de stad eigenlijk was. Overal waar hij keek zag hij gebouwen, straten en spoorlijnen. Het toestel trok weer op en 20 seconden later vlogen zij weer boven de wolken.

‘Heb je al overgegeven?’ vroeg Heinrich.

‘Ik geef mij nooit over’

‘Oh nee?’

‘Nee’

 

 

Heinrich gaf gas en het vliegtuig begon een loop in duizelingwekkende vaart naar beneden, trok weer bij en Henrik zag de Siegessäule langzaam op zich afkomen. De gouden engel zwaaide met haar lauwerkrans toen het vliegtuig er overheen vloog.

‘Dag Victoria, tot zondag’ dacht Henrik.

‘Kunnen we nog een rondje sigaar doen?’ vroeg Henrik.

En zo deden zij nog een rondje sigaar.

Henrik zag de gouden engel nu van alle kanten. Het viel hem op dat zij er van uit de lucht indrukwekkender uitzag dan vanaf de grond.

Het vliegtuig vloog verder en landde een kwartier later.

Met de woorden ‘De motor van dit vliegtuig komt uit de Argus fabriek’ sloot Heinrich de excursie af.

‘En, hoe was de vlucht?’ vroeg Jaite grijnzend.

‘Prachtig, wat is de wereld toch mooi vanuit de lucht’

‘Daarom gaan wij ook ondergronds’ Jaite schonk koffie in en Henrik stak een sigaret op.

‘Gaan wij in het verzet?’

‘Verzet?’

‘Soms kan ik je niet helemaal volgen, nee, wij gaan niet in het verzet. Wij gaan een ondergrondse fabriek bouwen. Misschien bouwen wij er wel twee of drie. Niet hier maar in Greiffenberg en Katscher’.

‘En waar zijn Greiffenberg en Katscher?’

‘In Silezië’

‘En waar is Silezië?’

Ten zuidoosten van Berlijn, zo’n 300 kilometer hier vandaan’.

‘En waarom daar?’

‘Geen bombardementen’

‘En waarom niet ondergronds in Berlijn?’ (Henrik voelde nattigheid, hij wilde Berlijn niet uit).

‘Het is daar kolenmijnengebied en het barst daar van oude mijnschachten die we enkel maar hoeven aan te passen en hier moeten we alles graven’.

‘En dat bouwen doen we met beton?’

‘Ja, dat doen wij met beton en daar hebben wij goede tekenaars voor nodig’

‘Hier of in Greiffenberg en Katscher?’

‘Niet hier maar wel daar, morgen ga jij met wat collega’s daarnaartoe, om te kijken en te meten, maar het tekenen gebeurt hier. De fabriek staat hier. Enkel hier kan je zien wat voor ruimtes de fabriek nodig heeft. Als je een ruimte maakt voor machines dan kan je hier zien en meten hoeveel ruimte daarvoor in Greiffenberg of Katscher nodig is.’

‘Dus ik hoef het alleen maar te tekenen?’ Henrik voelde zich weer wat beter op zijn gemak.

‘Je krijgt later ook nog een opleiding tot opzichter. Je tekent beter als je het ook moet uitvoeren. Die opleiding krijg je niet van ons maar van de O.T.’

‘Wat is de O.T.?’

‘Organization Todt maar je blijft bij ons in dienst’.

‘Gelukkig maar’.

‘Morgen ga je met je collega’s naar Greiffenberg en je bent vrijdag weer terug’.

Die nacht bracht Henrik door in de schuilkelder. De Engelsen hadden er echt zin. ‘Waarom zit ik in een soort tramhalte terwijl de Duitsers ondergronds mogen?’ dacht Henrik terwijl de Flaks hun tevergeefs werk deden.

De volgende dag ging Henrik met 4 collega’s in de trein naar Loewenberg. Daarna werden zij met een legerwagen naar Schosdorf gebracht.

Henrik keek zijn ogen uit. De omgeving was heuvelachtig met bossen, beekjes en landerijen. Hij werd ondergebracht bij een boerderij in het dorp. Daar woonde de familie Schmidt. Het waren aardige mensen. Henrik kreeg sinds tijden goed (en veel) te eten. Het was alsof hij op vakantie was en de oorlog niet bestond.

Hij sliep sinds tijden in een echt bed met donzen dekbed en linnen lakens. Hij kon de hele nacht doorslapen, geen bombardementen en in de ochtend tjilpten de vogels hem wakker. Na het ontbijt, met gebakken eieren, spek en donker brood, liep hij met zijn collega’s naar een bos ten zuiden van het dorp. In het bos waren drie ingangen naar een oude verlaten mijn. Met zaklantaarns liepen ze de vochtige muffe gangen in. Water drupte langs de muren.

 

 

Henrik en collega Karl moesten alleen maar de gangen opmeten en uittekenen. Zij ontdekten nog wat ondergrondse opslagplaatsen en kwamen tot de conclusie dat het schachtenstelsel te klein was om de hele fabriek in te vestigen.

Karl en Henrik keken elkaar aan.

‘Heb jij ook zo goed geslapen?’

‘Beter dan ooit’

‘Gaat die fabriek hierin passen?’

‘Met een beetje fantasie wel maar in de praktijk niet’.

‘Heb jij ook zo heerlijk ontbeten?

‘Beter dan ooit’

‘Die fabriek moet hierin passen, al was het maar vanwege het ontbijt’.

‘Maar hoe pakken wij dit aan?’

‘Ken je de Rijnlandse Duim?’

‘Die staat aan de andere kant van ons meetlint’.

‘De Rijnlandse Duim is 2,6 centimeter’.

‘Het is hier wel donker, niet dan?’

‘Ik zie nauwelijks of het nu een centimeter of een duim is’.

‘Als we meten in centimeters en zeggen dat het in duimen is dan is de grot groot genoeg’.

‘Als we zeggen dat het in centimeters is dan is de grot te klein’.

‘Dus meten in duimen en beschrijven in centimeters?’

‘Als ze daar achter komen dan gaan wij naar een strafkamp’.

Henrik had nog een ander probleem. De gangen en grotten waren zo onregelmatig dat hij zich afvroeg hoe je met beton een ruimte kon herbouwen om er een complete fabriek in te zetten. Alles moest dus groter en egaler. En hoe moet het met de vochtige omgeving, de frisse lucht, de aan- en afvoer van materialen, de elektriciteitsvoorzieningen in de beton gegoten muren, het testen van de motoren (die bovengronds bij Argus in Berlijn plaatsvonden), de huisvesting van de arbeiders en nog wat van die zaken.

Daar stond hij dan, in een vochtige mijnschacht, maar hij voelde dat hij iets op het spoor zou kunnen komen.

Flexibele muren waar elektrische leidingen en af- en aanvoer van frisse lucht gecombineerd kunnen worden.

‘Maar hoe maak je zo iets dat dan?’ vroeg hij zich hardop af.

Vrijdagmiddag was hij weer terug in Berlijn. Hij hoefde niet te werken en was dus vrij tot maandag.

 

Lieve Moka,

Een week kan zo anders gaan dan je kan bedenken. Ik ben Berlijn uit geweest. Er is buiten Berlijn een heel andere wereld. Ik heb op een boerderij gelogeerd, fantastisch gegeten en als dwangarbeider nog wat gewerkt ook. Maar mijn gedachten waren steeds bij jou. Waren wij maar samengegaan. Ik zie ons daar lopen, hand in hand door de weilanden, de koeien namen gevend en fantaseren over de toekomst.

Hoe gaat het met je, ik mis je elke dag, dat is natuurlijk niet eerlijk want wij zagen elkaar enkel op zondag maar toch. Ik kan je nu alleen maar schrijven en hopen dat je deze brief leest.

Ik heb ook gevlogen, echt waar, in een vliegtuig met een Argus motor. Die machines doen het prima, sterker nog, zij doen het fantastisch. Wij zijn zelfs om de Sigaar gevlogen. Victoria ziet er vanuit de lucht een stuk beter uit dan vanaf de grond. En dat allemaal voor mijn werk. Heb jij wel eens gevlogen?

Is er misschien een mogelijkheid dat wij elkaar weer eens ontmoeten? Op een plek die niemand weet! De dierentuin, bioscoop, in het donkere Grunwald, bibliotheek, treinstation, of gewoon ergens op straat?

Liefs,

Efti

 

 

Henrik vouwde de brief in een enveloppe en liep de stad in richting Tiergarten, naar de Sigaar. Het was een lange wandeling. Hij bekeek Berlijn met andere ogen. Alles op de bon en veel kapotte huizen, ’s nachts in een tramhok staan, overdag werken, weekend vrij maar geen vrienden, grote liefde onbereikbaar, moeder ondergedoken in Friesland, vader elke dag naar Amsterdam voor zijn werk.

En dat vanwege die stomme oorlog.

Hij liep door het park en ging op hun afgesproken bankje zitten en plakte de brief onder de zitting en gaf een handkusje aan Victoria.

Hij ging elke zondag een brief naar het bankje in het park brengen maar er was nog geen antwoord van Elisa. Maar zijn brieven werden wel meegenomen of waren gewoon weg.

De weken die volgden was Henrik alleen maar aan het werk. Omdat de aantekeningen van de schachten van Schosdorf uiteindelijk niet zo bruikbaar waren moest Henrik zijn herinnering en fantasie aanspreken om toch nog iets werkbaars te tekenen. Intussen zat hij, ook in zijn vrije tijd te werken aan zijn idee over het gebruik van beton in een natte tunnel.

Hij tekende heel veel, zoveel dat hij de weg een beetje kwijtraakte. Het idee was ergens maar kwam nog niet naar boven. Hij wilde zo graag een complete fabriek in een oude mijn proppen dat het bijna een obsessie werd.

De weken vlogen om, en toen was het ineens 18 november, de dag die alles zou gaan veranderen, de dag die zijn verdere leven zou gaan bepalen, de dag dat hij zijn leven nooit meer in eigen hand zou hebben.

 

Bliep!

Henrik vloog weer over Berlijn, het was al donker. In de verte zag hij honderden stippen steeds groter worden. Een brommend geluid werd steeds sterker. Er klonken sirenes, zoeklichten gingen aan en hij zag duizenden mensen over straat rennen en in het niets verdwijnen. Hij zag de bommen vallen op zijn eigen lager en zag zichzelf als laatste zoals hij ooit was, een vrolijke jongen.

De verpleger maakte Henrik wakker om hem wat eten te geven. Het smaakte niet.

 

Bliep!