
Hoofdstuk 4
De laatste dagen van een mooie zomer
Elisa en Henrik zagen elkaar bijna elke zondag. Zij ontmoetten elkaar in de Moka Efti in de Bellevuestrasse en gingen na een drankje meestal wandelen in het Tiergarten park. Elisa vertelde veel over haar fotografie-opleiding in Stettin, haar verblijf bij haar tante in Charlottenburg en haar werk als fotograaf. Haar tante was de zus van de admiraal en haar vader, zij woonde in een redelijk groot appartement en Elisa had daar een eigen kamer. Omdat zij als fotograaf in het leger was at zij meestal in de kantine van het foto-instituut waar zij werkte. In het begin moest zij zeer vroeg opstaan om gebombardeerde huizen te fotograferen. Later werd het wat makkelijker omdat er zo veel kapot was dat de meeste huizen ’s morgens vroeg nog brandden en daarmee moeilijk was de contouren en overblijfsels goed in beeld te brengen. Zij moest zuinig zijn met film, zij kreeg maar twee meter per dag mee. Daarna moest zij de films ontwikkelen (afdrukken deden zij niet), indexeren en opbergen in het archief. Oog voor detail was daarmee duur. Het ging om het grote overzicht tenslotte. Alles werd gefotografeerd om later de geallieerden te kunnen aanklagen wegens oorlogsmisdaden. Dat wist zij wel maar ze had zich al in een vroeg stadium afgevraagd of haar Duitse regering, die de oorlog was begonnen, misschien iets over zich af had geroepen.
Zij werkte in uniform omdat zij dan overal terecht kon. Een ander voordeel was, omdat zij niet met buitenlanders mocht omgaan, Henrik relatief veilig was omdat zij samen nooit werden aangehouden. Een uniform gaf gezag, ook op zondag.
Zo zaten zij daar op een bankje in het park. Elisa keek hem liefdevol aan, ze kon hem niet aanraken want dat was te publiek.
‘En jij?’ Vroeg ze.
Henrik keek haar aan: ‘heb je even tijd?’
Er is een probleem met mijn moeder Rebecca, niet dat zij ziek is maar zij is Joods en de kinderen dus ook (Henrik aarzelde).
Dat interesseerde niemand wat tot het 1940 werd en de Duitsers de rol van bezetter van de Fransen overnamen. In de jaren 30 was mijn moeder al halsoverkop Nederlands Hervormd geworden en toen de Duitse Jodenwetten steeds gevaarlijker werden verhuisde mijn familie naar Haarlem Noord op Rebecca na, die ging onderduiken in Grou, bij de familie Timmerman en daar is zij nog steeds.
Ik meldde mij vrijwillig om in Berlijn te gaan werken, de familie kreeg onmiddellijk extra etensbonnen en die gaan nu naar Grou om mijn moeder in leven te houden en de familie daar te ontzien. Dat was de strategie die mijn vader had bedacht.
‘Je bent dus joods en dit moet je hier aan niemand verder vertellen, dat is levensgevaarlijk. Maar wil je ooit, ooit, als deze rotoorlog van de baan is mij een keer mee naar Amsterdam en Grou nemen?’ zei Elisa.
Elisa realiseerde zich de buitengewone kwetsbaarheid van Henrik.
En Henrik ineens ook, hij had zijn mond voorbij gepraat op dat Berlijnse bankje in het hol van de leeuw met de nicht van de admiraal in een uniform van de Nazipartij.
‘Graag, zullen wij nu iets leuks in Berlijn gaan doen?’
De volgende dag moest Henrik bij Jaite komen. Hij kreeg een kop koffie en een sigaret.
Jaite keek hem aan.
‘Wat vindt je nu eigenlijk van deze oorlog?’
Henrik nam een trek, hij moest even tijd winnen.
‘Eh, als er geen oorlog was dan had ik gewoon thuis gezeten.’
‘En hoe is het thuis?’ vroeg Jaite.
‘Het gaat goed met mijn ouders en broer, zij zijn verhuisd naar Haarlem omdat het daar beter is voor mijn broer.’
‘Hoezo dat?’
‘Mijn broer heeft astma en Haarlem ligt dicht bij zee’
‘Ah, juist.’ Jaite keek wat verward naar buiten.
Jaite hernam het woord:
‘Je maakt goede vorderingen in je opleiding. Je tekent erg accuraat en je bent altijd op tijd.’
‘Dat komt omdat ik veel te veel tijd heb, na het werk is er niet veel meer te doen.’
Henrik schuifelde wat op zijn stoel, wat moet die man van me?
‘Kom zaterdag na het werk naar mijn huis, we hebben een klein feestje en daar mag je bij hoge uitzondering komen echter op een voorwaarde, je mag het aan niemand vertellen.
Ik woon op de Edelhofdamm 27, vlak bij je hotel.’
Bliep!
Henrik liep samen met mijn broer en moeder met een rieten koffertje naar het station in Haarlem. Zij ging met de trein naar Enkhuizen en daarna met een skûtsje naar Grou, naar de familie Timmerman.
In een slow motion zag ik dat ik mijn moeder omhelsde, zij stapte in de trein en toen deze vertrok bleven ik en mijn broer in een stoomwolk gehuld achter op het perron.
Het was nacht in het ziekenhuis. Henrik was weer wakker, althans dat leek erop want hij hoorde rochelende geluiden om zich heen. Het was donker.
‘Ik geef hem maar een spuitje dan slaapt hij misschien wat rustiger’ De verpleegster keek naar Henrik en schudde haar hoofd.
‘Zijn hart slaat over, te vaak en te snel’
Henrik doezelde weg en vloog over Berlijn, of was het Tel Aviv?
Bliep!