Hoofdstuk 7

God komt langs

 

Die ochtend liep Henrik als verdoofd door Berlijn. Het openbaar vervoer lag plat. Na de constatering dat hij geen huis meer had was hij naar zijn werk aan de overkant gelopen. Er was niemand maar het gebouw stond er tot zijn verbazing en opluchting nog wel. Hij besloot naar Reinickendorf te gaan, een flinke wandeling maar dan had hij misschien tijd om na te denken en in ieder geval zijn angst te bedwingen. Dat viel niet mee want er was nog overal brand en verwoesting van de afgelopen nacht. Hoe meer hij naar het centrum liep hoe erger het werd. Hij telde 164 verwoeste woningen en honderden doden voordat hij het opgaf. Zijn angst werd er alleen maar erger van. Er liepen heel veel mensen rond als Henrik. De mensen keken elkaar nauwelijks aan. Waarom zou je ook. Iedereen had een eigen geschiedenis en die geschiedenis was zo groot aan het worden dat praten geen zin meer had.

De stille massa maakten indruk op de toen stille Henrik. ‘Deze stilte is een vorm van lawaai, alleen je hoort het niet’ bedacht Henrik en stak weer een straat over. Hij passeerde soldaten die de eerste puinhopen aan het ruimen waren. Er stond een paard en wagen verder op waar de doden werden verzameld. Een vrouw haalde de scherven uit de etalage van een winkel.

Bij een café werden planken getimmerd voor de ruit. Er stond een bordje met in redelijk mooi handschrift: ‘Geopend voor koffie’ en Henrik liep de kroeg in die binnen door kaarsen werd verlicht en bestelde een kop koffie.

En een ontbijt en een glas bier. Hij zat daar twee uur en vervolgde toen zijn weg. Tiergarten was nog hetzelfde. Hij ging naar zijn bankje, voelde of er een bericht van Elisa was maar er was niets. Naar het centrum toe passeerde hij de S-Bahn waar rails werd vervangen en de vonken van de lasapparaten deden pijn aan zijn ogen.

Verder op stonden dubbeldekker bussen klaar. Er stond een rij van mensen met boterhammen in hun hand. Sommigen hadden een koffer maar de meesten niet. De bussen, wist Henrik, brachten de slachtoffers naar veiliger oorden. Waarom ik niet? Bedacht Henrik. Hij wist het antwoord al: hij is maar een buitenlander, tweederangs en de moeite niet waard. Trouwens, hij moest fabrieken in kolenmijnen gaan bouwen, en dat is andere koek. Henrik liep door en nam een besluit: wat er ook gebeurt, hoe ik het ook kan doen, ik ga deze rotzooi overleven, punt uit.

Er kwam weer wat vrolijkheid in zijn geest en het lijf werd meteen weer wat energieker. Twee uur later wandelde hij de fabriek van Argus binnen en liep meteen door naar de tekenkamer.

Jaite legde net de telefoon neer en keek Henrik verbaasd aan:

‘En wat doe jij hier?’

‘Waar zijn Ernst en Charlotte?’

‘Die zijn veilig, ze vroegen ook naar jou en ik kon niets zeggen’

‘Ik zat in de schuilkelder en zij niet’

‘Zij waren bij ons en zijn gebleven omdat het te gevaarlijk was om naar huis te gaan’

‘Dat was het ook’

Henrik kreeg een kop koffie en een broodje. De mannen bespraken de bombardementen van de afgelopen nacht. Jaite vertelde dat hij eerst dacht dat mee zou gaan vallen maar begreep pas vanochtend dat voor het eerst de zuidkant van Berlijn was aangevallen en dat was verder weg dus het lawaai was een stuk minder dan voorheen.

‘Het was verschrikkelijk’ antwoordde Henrik. ‘Iedereen was bang’

‘Er is post voor je’. Jaite opende een bureaulade en haalde twee enveloppen tevoorschijn.

‘Ga jij maar lekker lezen, ik ga eens kijken of we een vorm van huisvesting voor je kunnen regelen. Jaite stond op en liep het kantoor uit.

Henrik keek naar de enveloppen, de eerste was van zijn vader en de tweede van Elsa.

‘Elsa’, de vriendin van Machteld.

Henrik kende Elsa wel, een aardige vrouw, zij kwam uit het noorden en dat was ongeveer alles wat hij wist. Wel, hij had haar al diverse keren gesproken maar altijd als Machteld erbij was en Henrik vond toch een beetje vreemd on nu een brief van haar te krijgen en niet van Machteld.

Hij opende de enveloppe en las haar brief.

 

Amsterdam, 1 december 1943

Beste Henrik,

Je vindt het misschien vreemd om een brief van mij te krijgen maar ik doe dat om je een hart onder de riem te steken net zoals bij mijn broer Johan.

Hij werkt in een fabriek in Hamburg en jij zit in Berlijn. Ik ken geen van beide plaatsen maar ik begrijp dat het allemaal niet leuk is.

Vind je het goed dat wij met elkaar gaan schrijven? Dat is goed voor je en ik ben gewoon benieuwd hoe het met je gaat.

Hier gaat alles goed zoals dingen in omstandigheden goed kunnen gaan.

Het is allemaal niet leuk maar wat doe je eraan?

Groeten,

Elsa

 

Henrik las daarna de brief van zijn vader, alles ging goed en hij hoopte dat het met Henrik ook goed ging.

De boerenkool was goed dit jaar en daarmee wist Henrik dat het goed met zijn moeder ging.

Twee korte briefjes die er twee weken over hadden gedaan om hem te bereiken. En wat is er de laatste twee weken wel allemaal niet gebeurd?

Henrik dacht na: ‘’wat er ook gebeurt ik ga deze rotzooi overleven’.

Jaite liep vrolijk binnen en zei:

‘Ken jij de Havelstrasse in Spandau?’.

‘Woont Johan Richter daar niet?’.

‘Ja, en jij nu ook’.

Jaite ging zitten en stak een sigaret op.

‘Je OT wordt dit weekend verplaatst van de Fregestrasse naar Siemensstad, half uurtje lopen vanaf je nieuwe huis’.

‘Ah, mooi, ik vind wandelen fijn en ik ga vanaf nu steeds meer het centrum uit en dat is goed voor de gezondheid’.

Op vrijdag de zeventiende december gingen Johan en Henrik gezamenlijk op weg naar Johan’s huis in Spandau. Er was nog steeds geen openbaar vervoer.

Zij stopten bij de kroeg waar hij ooit eens met IJsbrandt was geweest. Het was er vol, veel kabaal en een goede sfeer.

‘Ik zou graag zien dat die rotoorlog eens voorbij zou zijn’ opende Henrik.

‘Die is eigenlijk al voorbij maar de machthebbers weten dat nog niet’.

‘Hoezo?’

‘Wij gaan als bedrijf toch een fabriek in een kolenmijn bouwen?’, Johan nam een slok en Henrik keek hem ietwat verward aan.

‘Welke idioten bouwen nu ineens een fabriek in een kolenmijn?’

‘Een vliegtuigmotorenfabriek in een kolenmijn vlakbij de Poolse grens.’ herhaalde Johan.

‘Ik ben er geweest om op te meten’ antwoordde Henrik.

‘ja, ik weet het, je hebt het uit je Rijnlandse duim gezogen, wij vonden het erg grappig’

Henrik dacht na (goddomme, zij weten het!).

‘Ik kom helemaal niet uit Rijnland dus die duim bestaat niet’.

‘Jij komt wel uit Rijnland maar jullie noemen het Nederland’.

‘Je metingen waren wel accuraat maar in de verkeerde maten opgetekend. Dat was eigenlijk perfect want toen wisten wij meteen dat het niet mogelijk was’.

‘Dat hebben jullie mij nooit verteld’

‘Nee natuurlijk niet’.

‘Ik was bang’

‘Jij hoeft niet bang te zijn want de admiraal beschermt jou’.

‘Echt waar?’

‘Echt waar’.

(Henrik dacht aan zijn beslissing: ik ga die rotoorlog overleven!)

‘Waarom beschermt hij mij?’

‘Je krijgt de groeten van Elisa’

‘Ken jij haar?’

‘Al jaren, haar familie woonde heel lang bij ons in de straat, zij verhuisde naar Stettin toen Hitler aan de macht kwam en zij kwam in juni terug naar Berlijn. Haar familie zit in de top van de partij’

‘Maar zij niet’ vulde Henrik aan.

‘Nee zij niet’

‘Waar is zij?’

‘Ze woont bij een tante, ergens in Charlottenburg’.

‘Heb jij haar onlangs nog gezien?’

‘Nee’.

 

 

Het huis van Johan was een typische etagewoning maar groot genoeg om Henrik een eigen ruimte te geven, hij sliep in de logeerkamer en had een bed, tafel en stoel. Hij kon (tegen betaling) mee-eten. Johans vrouw, Hilde, was vriendelijk en werkte in een winkel in de buurt. Zij las veel, heel veel, elke avond zat zij met kaarslicht in haar stoel een boek te lezen. Er was ook een uitgebreide boekenkast met wel 200 boeken, Henrik wist niet wat hij zag.

Boeken, wanneer had hij voor het laatst een boek gelezen?

Wanneer had hij voor het laatst een beetje lol gehad? Hij wist het niet meer. Zes maanden Berlijn had zijn langetermijngeheugen bijna uitgeschakeld. En zo kwam het dat Henrik weer ging lezen. Nu was hij het mondeling Duits redelijk machtig in de kroeg en het werk maar het lezen ging hem niet makkelijk af.

Zwölf mit de Post van Hans Christian Andersen was het eerste Duitse boek waar Henrik na zijn Duitse lesboeken op de ulo aan begon. Om te wennen.

Hij kon ook rustig lezen dat weekend, de Engelsen hadden Spandau nog niet ontdekt en zo had Henrik een rustig weekend.

De volgende maandag meldde hij zich bij de OT in Siemensstadt. De OT had besloten dichter bij het fabriekscentrum van Siemens te gaan werken. Door het bombardement was het in een stroomversnelling geraakt, het weekend was alles verhuisd en Henrik mocht meteen meedoen met uitpakken, bureaus opstellen, tekentafels en kasten plaatsen en allerlei opmerkingen incasseren over de belangrijke vraag waarom hij geen uniform aan had.

Johan de Hollander, de foeragemeester was er niet. Die was zijn knopen aan het tellen dacht Henrik. Maar Johan was wel verantwoordelijk voor zijn uniform. Daar kwam bij dat Henrik nog maar een pak had en dat begon aardig te verslijten. Ook nieuwe schoenen waren erg welkom. 

De foeragemeester was er de volgende dag wel. Hij keek Henrik aan of hij hem niet kende en vroeg wat hij voor Henrik kon doen.

‘Waar zijn mij drie uniformen?’

‘Eind van de week’, heb ik je dat niet verteld?

‘Maar dan is het kerst’

De nacht van 23 op 24 december kleurde het oosten van Berlijn rood. Henrik kon het vanuit zijn raam zien. Het was Kerstmis.

Geen helm, geen veldfles, geen pistool, geen militaire training (want dat was de normale uitrusting) maar wel een goede wintervaste broek, jas en ondergoed en sokken. Zijn laarzen waren van goed leer, zwart en een stuk warmer dan wat hij gewend was. Het was voor het eerst dat Henrik een soort van uniform droeg. Met twee strepen, dat was niet niks voor een simpele Amsterdammer. Hij had drie uniformen en droeg nu het winteruniform, het was namelijk steenkoud en dat kwam mooi uit. Alleen jammer van de Swastika op zijn linkermouw, alles went, hield hij zich voor.

Henrik werd vanaf die tijd anders behandeld, in het openbaar vervoer, in winkels en op straat waren mensen ineens vriendelijker, niet dat ze ooit onvriendelijk waren maar Henrik had het idee dat het uniform een bepaalde status met zich meebracht.

Er was geen vuurwerk met oud en nieuw, de Engelsen bleven thuis. De volgende nacht was het raak. Berlijn gloeide weer in de verte en Henrik was blij uit de vuurzone te zijn. Zijn lezen ging vooruit, hij begon er lol in te krijgen omdat zijn avonden zinnig(er) werden gevuld.

Henrik werkte op een afdeling van OT waar tekeningen en ontwerpen werden gemaakt voor ondergrondse fabrieken. Zij waren met 15 mensen en elk van hun kwam van een ander bedrijf. Henrik was gedetacheerd door Argus Motorenwerke en dat was een middelgroot bedrijf in de ogen van anderen. Argus maakte onderdelen voor anderen dus dat werd niet zo hoog ingeschat. Dat hij Nederlander was vond men maar zo zo maar echt onvriendelijk waren zij niet. De meesten waren oprechte Nazi’s maar Gerhard Neumann, een leeftijdgenoot, waarschijnlijk niet gezien zijn opmerkingen af en toe. En die werkte aan de tekentafel naast Henrik en zo leerden zij elkaar wat beter kennen.

Aan de muur hing een kaart van het grote Duitse Rijk.

Gerhard wees naar de plaats Dresden en zei:

‘In Dresden worden duikboten gemaakt en die worden met vrachtwagens over de weg naar de marinehavens vervoerd en nu moet ik een fabriek bedenken in een oude kolenmijn waarbij honderd meter onder de grond een duikboot in elkaar wordt gezet.’

‘Dan is de duikboot wel op zijn plaats, qua diepte dan’ Henrik keek serieus naar de kaart.

‘Nu worden duikboten niet van steenkool gemaakt dus er moet ook nog een spoorlijn komen die al het materiaal naar beneden kan vervoeren. Er moeten twee in- of uitgangen komen want als er een uitvalt dan kan de duikboot via de andere tunnel wel naar zee worden vervoerd. 100 meter onder de grond, in een verstikkende kou en groot gebrek aan zuurstof dus er moet ook een ventilatietunnel komen’.

‘Die heb je al’

‘Hoezo?’

‘De spoortunnels’

‘Dat werkt niet. Lucht gaat niet zomaar honderd meter onder de grond, er kan zelfs een vacuüm ontstaan’.

‘En als een van de ingangen wordt geblokkeerd dan is er geen stroming’. Henrik zei maar wat, wist hij veel.

‘En jij?’.

Argus maakt motoren voor vliegtuigen maar ook dingen voor nieuwe producten als ik het goed begrijp’.

‘Wat voor dingen?’.

‘Geen idee, een soort onbemande vliegtuigen dus kleiner dan gewone vliegtuigen, er moet bovengronds ook een soort start- en landingsbaan komen’.

‘Dat wordt nog een lange oorlog op deze manier’.

‘Ik hoop van niet’.

‘Ik ook niet maar gelukkig hebben wij wel een leuke baan en veel mensen niet’. Gerhard keek weer naar de kaart en zijn vinger wees naar de oostkant van het Rijk.

‘Anders had ik waarschijnlijk hier gezeten als soldaat of zoiets’.

Zijn vinger wees naar Polen.

‘En zonder oorlog had ik waarschijnlijk hier gezeten als ongeschoolde klungel’

Henriks vinger wees naar Amsterdam.

Er was een brief van Elsa uit Amsterdam.

 

Beste Henrik,

Een heel gelukkig nieuwjaar wens ik je, ik hoop dat je snel weer thuiskomt. Ik hoop ook je snel weer eens te treffen en dat wij dan ergens een kopje thee kunnen gaan drinken als je terug bent.

Hier in Amsterdam gaan de dingen (met mij) goed, ik heb een baan als kinderverzorgster bij een rijke familie in de Jan Luyckenstraat kunnen krijgen. Zij wonen in een groot huis en zo vlak bij het Vondelpark is het leuk om met de drie kleine kinderen door het park te lopen en de eendjes te voeren…

 

Henrik stopte met lezen en legde de brief terzijde, en dacht even na.

‘Heb ik hier zin in?’

Hij sprak Johan hierover aan.

‘Ik krijg nu ineens brieven van een vriendin van een vriendin en die loopt gelukzalig met drie kleine kindjes in een park te wandelen en te spelen vanwege haar werk, wat moet ik daar mee?’

‘Zij kijkt naar de toekomst, zij wil met jou en jullie drie eigen kleine kindjes door dat park lopen, je bent nu al een gezegend mens Henrik, dat heet dromen’.

‘Haar dromen zijn misschien mijn nachtmerries want zij is zestien jaar oud, dat zijn geen dromen, dat zijn hormonen’.

Hilde keek op van haar boek, en vroeg:

‘Leest zij boeken?’

‘Geen idee’.

‘Aan een man of vrouw die geen boeken leest heb je helemaal niets, dat zijn de suffe meelopers van de alledaagse wereld die al vreselijk genoeg is zonder fantasie of een eigen meningsvorming want die bestaat niet meer. Wij krijgen de voorgekauwde koek in de vorm van propaganda en voedselbonnen. Een eigen mening heeft ander voedsel nodig en die vind je alleen in boeken. Boeken van voor de oorlog en andere inhoud dan dat Hitler het allemaal zo goed met ons voor heeft, de klootzak, vrouwen stellen hier helemaal niets voor, vrouwen moeten kinderen uitpoepen en verder hun kop houden en keihard werken. Vrouwen mogen de rotzooi opknappen en nu in fabrieken werken omdat de mannen worden afgeknald. En als een zestien jaar oud meisje de moeite neemt om je een brief te schrijven ga jij zitten zeuren over zestienjarige hormonen en nachtmerries.

Henrik, er is iemand die in je gelooft of je dat nu leuk vindt of niet. De oorlog gaat voorbij en je leven gaat dan verder zonder dat stomme Nazi Organisatie Todt pak van je, je moet een beetje vooruitkijken en niet zo het zielige slachtoffer uithangen’. Ik zou graag zien dat de Engelsen hormoonbommen in plaats van echte op ons rijk gooiden, dat hebben wij hard nodig, we zijn alleen maar aan het overleven en hebben geen tijd meer voor de echte belangrijke dingen van ons leven.

‘Hilde, wat zeg je nu toch allemaal’ stamelde Johan.

‘Niets bijzonders, zullen wij een biertje nemen?’ antwoorde Hilde.

Zij namen een biertje, en nog een, en nog een.

‘Ik denk dat je eigenlijk wel gelijk hebt maar ik heb niet zoveel hormoonbombardementsvluchten met een zestienjarig meisje voor ogen’. Henrik nam een slokje bier ‘daarbij komt dat ik haar eigenlijk niet zo goed ken, haar vriendin wel, die is wat ouder en wijzer, net als ik’.

Hilde keek hem geamuseerd aan: ‘Als je dan zo slim bent, waarom smeer je hem eigenlijk niet, ga terug naar Amsterdam, duik onder of wat dan ook, het wordt hier alleen maar erger, de Russen komen eraan.

Zij zijn dol op mannen in pakken zoals jij. En hier ben je een buitenlander, niet zo belangrijk, voor jou duizend anderen’.

Johan opende nog een flesje bier: ‘wij kunnen je helpen’.

‘Johan, wat zeg je nu toch allemaal’ vroeg Hilde verbaasd.

‘Hij mag het best weten, hij woont hier in huis en was er toch achter gekomen’.

Henrik keek het stel ongemakkelijk aan (wat nu weer?).

‘Beste Henrik, wij kennen je nu een beetje, kan jij een geheim bewaren? Als je nee zegt dan is het ook goed, dan heb ik niets gezegd, als je ja zegt dan ga ik wel wat vertellen’.

‘Vertel mij jullie geheim dan vertel ik het mijne’. Henrik vroeg zich af of dat zo verstandig was maar voelde dat dit een bijzondere avond zou worden’.

Hilde begon: ‘toen de oorlog begon zaten wij nog op de universiteit hier in Berlijn. Het was al moeilijk maar het werd steeds vervelender, de joodse professoren en studenten waren snel afgevoerd en wat daarvoor terug kwam had niet meer zoveel met een universiteit van doen. Nu kon je drie dingen gaan doen, meelopen, tegenwerken of je tentamens zo slecht maken dat je met opgeheven gezicht dat instituut kon verlaten, niet slim genoeg voor het Duitse Rijk, beter kon je het niet krijgen. Je kon niet meer worden ingezet in de hogere regionen van de fascisten. Je nam geen standpunt in en je kon zonder problemen de universiteit verlaten en een ander leven beginnen en dat hebben wij maar gedaan, het was niet anders.

Ik ben in een winkel gaan werken en Johan werkt nu bij de dienst volkshuisvesting en zo zijn wij toch respectabele burgers gebleven die met rust worden gelaten. Wij zijn niet van die helden, nooit geweest trouwens.

Wij zijn wel lid van een protestantse beweging en die is niet zo voor de Nazi’s.

Wij proberen zoveel mogelijk te doen voor mensen in nood hier, ja hier, in Berlijn. Er is veel ellende die je op straat niet snel ziet want wij zijn Berlijners, dus trots en sociaal en dat in tegenstelling tot die Zuid Duitse en Oostenrijkse idioten die hier de boel verknallen.

Wij helpen mensen die geen bonnen meer krijgen, transporteren mensen naar andere oorden en helpen opruimen als de Engelsen weer eens langskomen. Dat heeft onze regering op zijn hals gehaald en hoe zeer we die Engelsen nu haten, het is een onvermijdelijk gevolg van het gedrag van diezelfde heersers die overal oorlogen zijn begonnen. Wij gaan nooit naar de kerk, er lopen daar te veel verklikkers rond.

Ja, wij kunnen je helpen terug naar Amsterdam te gaan, het wordt niet makkelijk, gevaarlijk en je hebt geen garantie, als je wordt gepakt dan ga je naar een kamp en daar kom je nooit meer uit. Als het wel lukt dan heb je een kans om in Amsterdam onder te duiken en zo het eind van de oorlog af te wachten’.

Johan had nog een niet onbelangrijke aanvulling: ‘daar komt bij dat wij je niet eeuwig hier kunnen houden, dat valt te veel op, een buitenlander in huis, weliswaar van de OT maar dan nog. Je moet hier over een tijdje weg, ergens anders heen want wij willen geen kettinghonden over de vloer’.

‘Wat zijn kettinghonden?’.

‘Gestapo’

‘Oh juist, ik snap het’.

 

‘Ik denk het niet maar vertel nu jouw geheim’.

Henrik dacht even na, zou hij het vertellen? Hilde en Johan waren eerlijk geweest. Maar als ze dat nu niet waren was dit dan misschien een valstrik? Hij hield al maanden zijn kop over zijn Amsterdamse achtergrond, zelfs op het werk of in de kroeg vertelde hij niets over zichzelf. Te gevaarlijk.

‘Ik kan niet vluchten naar Amsterdam hoe graag ik dat ook zou willen. Ik mag trouwens Berlijn helemaal niet uit. Het stempel Berlijn in mijn paspoort betekent dat ik alleen in Berlijn mag zijn. Toen ik naar Silezië ging kreeg ik een aparte begeleidingsbrief in mijn paspoort mee.

Mijn voordeel hier is dat ik als vrijwilliger hiernaartoe ben gekomen, ik heb mij zelf aangemeld en dat is wat anders dan mensen die hier gedwongen naar toe zijn gekomen, de echte dwangarbeiders. Ik krijg een salaris, bouw een pensioen op en naast de bonnen voor voedsel en niet aanwezige kleding heb ik genoeg geld om niet in een Lager te gaan zitten. Ik ben een eenling en niet zo goed om met acht mensen in een kamer te gaan wonen. Ik heb dat gedaan, in het begin maar ook de Engelsen vonden mij niet geschikt voor zoiets. Ik heb mij aangemeld omdat mijn vader in Nederland meer etensbonnen krijgt die dan weer goed van pas komen om mijn moeder in leven te houden die op een geheim adres woont.

Ik stuur ook regelmatig geld naar huis, dat kunnen zij goed gebruiken ondanks dat mijn vader een redelijk salaris heeft met zijn werk als bankbediende in Amsterdam Oost.

En daar komt bij: ‘mijn moeder is joods’. Wij zijn anderhalf jaar geleden naar Haarlem verhuisd en mijn moeder is toen ondergedoken. Dus mijn vader kwam met twee zonen, zonder vrouw in een nieuwe buurt te wonen waar niemand ons kende. Ik kom dus wel uit Amsterdam en op de een of andere manier sta ik nog steeds geregistreerd als Amsterdammer.

Mijn moeder werd vlak voor het trouwen met mijn vader Nederlands Hervormd gedoopt en ik ben protestants opgevoed.

Daarom heb ik mij als vrijwilliger aangemeld. Ik was net op tijd want een week later werd het verplicht en had ik moeten onderduiken of gaan in andere omstandigheden. Ik ben nu een gerespecteerde vrijwilliger die blijkbaar graag voor het Duitse Rijk werkt en dat is maar goed ook.

Ik kon niet anders en kan dus niet terug naar Haarlem of Amsterdam want dan zijn we alles kwijt’.

Het was even stil.

‘Jij bent dus joods’.

‘Ja, hier wel’

‘En onze dappere landgenoten in bezet Nederland hebben dat nooit ontdekt?’ vroeg Hilde.

‘Tot nu toe niet’.

‘Zij hebben toch toegang tot het bevolkingsregister in Amsterdam?’

‘Mijn oma heeft destijds haar naam veranderd’.

‘Wij hebben gevaarlijke geheimen’ constateerde Johan.

 

Bliep!

Hij had weer een morfinespuitje gekregen en ijsbeerde door mijn ziel, hij kon niets vinden maar bleef zoeken tot hij weer iets zag.

Hij vloog over Amsterdam en bleef hangen boven de Derde Schinkelstraat. Hij zag zijn vrouw met een kinderwagen naar buiten komen. Zijn oudste zoon liep naast haar. De jongste lag in de kinderwagen. Zij liep naar het Vondelpark en zette zijn zoontjes in het gras. De jongste zoog op een sleutelbos en keek vriendelijk naar boven. Henrik zwaaide en viel in slaap.

 

Bliep!