Hoofdstuk 8    Beton en de harde liefde

De beste manier om naar zijn werk te komen was of lopend of met de bus. Het hing af van het weer en zijn gemoedstoestand. Henrik was door zijn uniform aan de ene kant veilig maar door de gesprekken met Johan en Hilde aan de andere kant onveilig. Hij wist niet echt zeker of hij ze kon vertrouwen. De bombardementen werden intensiever, overdag de Amerikanen en ’s nachts de Engelsen.

De inslagen werden talrijker en de ellende die het voor de burgerbevolking meebracht was niet te overzien maar het leven in Berlijn ging zo goed en zo kwaad gewoon door ondanks de juichende propaganda van de staat.

Henrik was ongelukkig. Hij had geen idee waar hij naar toe moest, wat hij moest doen en hoe hij de ellende zou kunnen overleven. De Russen trokken Berlijn binnen, straatgevechten, verkrachtingen en plunderingen werden een dagelijks terugkerende realiteit.

Hij werd wakker in een ziekenhuis. De arts vertelde hem dat hij op straat was gevonden. Henrik had tbc en moest een tijdje in het ziekenhuis blijven. Henrik was voorlopig gered.

Hij schreef twee brieven.

 

Lieve schat,

Intussen is er heel veel gebeurd en ik hoop dat je nog leeft en deze brief ooit leest.

Sinds ik dat belachelijke uniform aan heb gaat het beter met mij. Beter in de zin dat ik met dat onderklasse apenpakje in ieder geval de indruk wek dat ik zowel als Duitser of als meewerkend Berlijner wordt ingeschat. Nu ben ik geen van beiden hoewel ik mij wel een soort van Berlijner voel. Ik werd na mijn verblijf bij Johan overal en nergens gestald. Bij Gerard Neumann in de Rudigerstrasse, bij Leits in de Schadestrasse en nog twee maar die ben ik nu al vergeten. Dat laatste adres was ver uit het centrum en dat was wel een stuk rustiger. Wel was ik veel langer onderweg naar Siemensdorf maar klagen had geen zin want ik had in ieder geval nog iets en dat konden veel mensen niet meer zeggen.

Bij de organisatie Todt werd het steeds drukker.

De bombardementen werden steeds intensiever en de schade daarmee ook. Er vielen steeds meer fabrieken uit. De schade bij Argus viel nog mee maar er moest snel wat gebeuren met die ondergrondse fabriek. Het werd steeds meer overwerk en dat vond ik niet erg want er was toch niet veel meer te doen in de stad. Bier drinken deden wij gewoon op het werk. Zo combineerden wij werk en vrije tijd.

Johan en Hilde zag ik steeds vaker en steeds op een andere plek. Wij hadden daar gezellige avonden zoals hij dat noemde. Er werden lezingen gegeven en die gingen niet over architectuur of het Nationaal Socialisme maar eigenlijk meer over het Communisme en daar wist ik niet zoveel van behalve dat er een heleboel onze kant op kwamen (uit het oosten). Er werd veel gesproken over hoe het na de oorlog verder moest. Ik had daar wel ideeën over, terug naar huis en architect worden. Het clubje vond dat een beetje magertjes want er moest ook een nieuwe maatschappij worden opgebouwd en hoe doe je dat? Ik realiseerde mij ineens heel goed dat ik in gevaar was. Ik zat in de oppositie tegen het Naziregime, zonder dat ik mij daarvoor had aangemeld. Het waren mijn vrienden maar we noemden elkaar ineens kameraden. Sommigen van deze vrienden hadden best hoge posten in het systeem. En zo kwam het dat ik werd aangemeld voor een korte militaire training die elke medewerker van Organization Todt moest volgen. Ik leerde schieten, handgranaten werpen en met zware bepakking door de straten van Berlijn rennen. Kan jij je dat voorstellen?

Maar mijn kameraden vonden dat uitstekend. Beter een getrainde kameraad dan een slapjanus die architect wil worden. Althans dat was het mopje dat de ronde deed. 

Het andere mopje was het volgende: op een avond moesten wij in een kring gaan staan en zweren dat wij alles zouden doen om Hitler te verjagen en daarna een ware communistische staat zouden gaan vestigen. Ik heb dat gezworen. Ik weet niet eens waarom maar ik was bang dat als ik het niet zou doen ik snel uit de club zou zijn gegooid en ik er dan alleen voor zou staan. Enkele reis werkkamp en over die werkkampen gingen geen prettige verhalen, speciaal als het joden betrof.

Ik had geen keus en het waren tenslotte vrienden. En ineens was ik communist, wat dat ook moge zijn.

In december moest ik ineens weer naar Greiffenberg in Silezië omdat we toch snel gingen beginnen met de bouw van de ondergrondse fabriek van Argus.

Wij gingen met de trein en zes uur later stond ik weer in Greiffenberg. Er was daar niets veranderd. En dat was goed nieuws. Het is een kleine landelijke plek met aardige mensen en er was ook genoeg te eten.

Ten noorden van Greiffenberg ligt Schosdorf en dat kende ik al. Daar had ik verkeerde metingen gedaan voor Argus en daar zou dan toch de nieuwe fabriek komen. Ik was naast betontekenaar af en toe opzichter. Het werk werd gedaan door joden uit de naburige kampen en krijgsgevangen uit allerlei landen. Er waren Engelsen, Russen, Polen, Fransen, Belgen en heel veel joden. Ik moest mij heel Duits opstellen en dat betekende onvriendelijk zijn en liefst veel schreeuwen tegen die stakkers. Dat deed ik alleen maar als er weer eens een kettinghond langs liep. Een kettinghond is een Gestapo lid in Berlijn maar hier werd elke Nazi zo genoemd.

Ik was misschien wel de eerste (illegaal) schreeuwende communist daar maar wisten zij veel!

En dat bouwen duurde niet zo lang. Tot begin Januari was er nog bouwmateriaal en daarna viel de aanvoer stil. Zo stil dat ik naast betontekenen ook tijd had voor mij zelf. Nu was daar niets meer te doen dus ben ik maar in een schriftje tekeningen gaan maken. Het werden tekeningen van de boerderij waar ik verbleef, Greiffenberg, Schosdorf, koeien op stal en vooral veel bomen.

De bouw lag stil. Van de betonplaten die er nog over waren werd een lanceerinstallatie voor V1-raketten gebouwd. Net over de grens in Tsjechië, in Liberec was nog een Argus fabriek en daar kwamen die dingen vandaan en die werden hier getest. Grote wagens met kogelvormige bommen met vleugels werden hier afgevuurd. Dat ging dag en nacht door. Niet zo vaak trouwens want zoveel was er niet te testen. Ze deden het gewoon altijd zover ik dat kon beoordelen natuurlijk.

Ik heb daar bijna twee maanden gezeten. Op een dag kregen wij orders terug te gaan naar Berlijn want de Russen kwamen steeds meer dichterbij. Ik wist dat de Russen niet zo van buitenlanders in Duitse uniformen hielden en ik denk dat mijn eventuele verklaring dat ik erkend communist in Berlijn was mij niet verder zou helpen.

Er was echter geen vervoer, we moesten lopen, het was begin februari en het was koud. Ik had twee uniformen over elkaar getrokken en met mijn winterjas aan had ik het warm genoeg.

De tocht terug was een hel, het was een afstand van 300 kilometer, soms kon ik een stukje meerijden met terugtrekkende Duitse troepen maar daar zag ik al snel vanaf omdat de het voordeel van de snelheid niet opwoog tegen de nadelen, de luchtaanvallen op Duitse troepen. Zij namen mij mee vanwege mijn uniform.

Ik heb mijn jas geruild tegen een andere, eigendom van een oudere man die wel wat warmers wilde en zo was ik ineens niet meer zo herkenbaar als medewerker van het Reich.

Vrouwen, kinderen, oudere mannen, alles liep door elkaar. Mensen bezweken van de kou en de honger. Ik had een redelijk rantsoen maar daar was in twee dagen niet veel meer van over. Je kunt je niet voorstellen wat het is om kinderen te zien sterven. Ze werden achter gelaten want wat moest je nu verder? De Russen hadden haast, soms kwamen wij ze tegen maar zij deden ons niets. Zij zochten andere mensen dat was wel duidelijk. Ik sliep vaak in een greppel en twee keer bij een boer. Niet dat die boer dat wist maar een hooiberg is soms erg geriefelijk, ik kan het je aanraden.

Ik heb in die 8 dagen meer dood en verderf gezien dan in al die jaren in Berlijn bij elkaar.

Het went niet, echt niet, ik wil nooit meer oorlog. Waar is het eigenlijk goed voor? Kunnen die kinderen er iets aan doen?

Je moet opkomen voor je zelf en de rest kan letterlijk doodvallen. Ik dacht wel eens: als ik dood val is dat dan erg?

Ellende geeft ook kracht, hoe gek het ook klinkt en zeker uit mijn mond.

De chaos in Berlijn was enorm. Het centrum was al bijna helemaal weggevaagd. De Siegessäule stond (en staat) er nog steeds. Als ik de zuil zie moet ik altijd aan jou denken.

Ik kon terecht bij Neumann in de Rudigerstrasse in Pankow.en op een goede dag stonden er ineens Russen voor de deur. Ik had allang geen uniform meer. Bijna niemand had nog een uniform. Ik had nog wat geld en het kostte mij een kapitaal om een versleten pak te kopen.

En toen lag ik in een ziekenhuis in Siemensstadt. Ik had Tuberculose opgelopen en was ernstig verzwakt. Ik heb daar twee maanden gelegen en over twee weken verloopt mijn paspoort maar ik mag over een paar dagen terug naar Amsterdam. Dan ben ik bijna twee jaar weggeweest. Ik heb je maar een paar keren ontmoet maar zonder jou had ik het nooit gehaald.

Ik hoop je snel weer te zien, je bent de ware.

 

Henrik.

Henrik stopte de brief in een enveloppe en begon aan zijn tweede brief.

 

 

Beste vriendin,

 

Het ziet er naar uit dat ik over een paar dagen terug kan naar Amsterdam. Ik wil mijn leven helemaal opnieuw beginnen en wil daarom liever geen contact meer. Ik heb je maar een paar keer gezien en dat was altijd leuk en prettig maar ik heb een ander op het oog en dat ben jij dus niet.

Het spijt mij heel erg maar het is niet anders.

 

Henrik.

 

Ook die brief ging in een enveloppe.

De verpleegster kwam binnen en nam zijn temperatuur op.

‘Kleine verhoging, niets bijzonders, het hoort bij het ziekbeeld’.

‘Mag ik naar huis?’

‘Van ons wel maar je moet straks eerst bij de zonecommandant komen voor je reisstempel’.

‘Hier in het ziekenhuis?’

‘Hier in het ziekenhuis’

En zo zat Henrik op een stoel met twee heren in uniform tegenover zich.

Hij kende er een van: zijn vriend Jaite, in een Russisch uniform dit keer, het stond hem ook goed.

‘Ah de ingenieur ’grapte Jaite.

‘Wat er nog van over is’.

‘Weet je nog van onze feesten in de bruine tijd?’, Jaite gaf Henrik en de (Russische) officier een sigaret.

De drie heren rookten en het was even stil.

‘Jazeker, ik ben daar communist geworden, het was voor mij een hoopvolle aanvulling op de ellende in Berlijn’

Henrik zweeg even, hij moest weer verdomd goed oppassen wat hij zei bedacht hij zich.

‘Ik ben blij dat Hitler is verslagen’

‘Hij is dood maar niet verslagen, het begint nu pas’ antwoordde de Rus vriendelijk in perfect Duits.

‘Hoezo?’

‘De oorlog is nog niet voorbij’.

‘Maar hier toch wel?’

‘Nee’.

‘Maar de Nazi’s zijn toch weg?’

‘Jouw land is bevrijd door de kapitalisten’.

‘De Amerikanen?’

‘Ook door de Engelsen en de Canadezen’.

‘De strijd gaat door maar het wordt een stille strijd’ Jaite pakte drie glazen en schonk drie Wodka’s in.

‘Wij hebben jou daarbij hard nodig’.

‘Hoe dan?’ (Wordt het nu nooit vrede?) Henrik voelde een bekende onrust opkomen.

‘Jij gaat over een paar dagen terug naar Amsterdam, je gaat daar trouwen, gezinnetje stichten en mooi meedoen met alles wat maar normaal is en als wij je nodig hebben dan hoor je het vanzelf’.

‘Hoe hoor ik dat dan?’.

‘Om te beginnen stuur je altijd een kaart naar Johan als je verandert van adres. Hij stuurt jou een kaart als hij verhuist. Elk jaar krijg je een kaart van Elisa. Als je geen reactie van Johan hebt gekregen dan stuurt je het voortaan naar haar. Als je wel een reactie hebt dan stuur je haar niets. Haar schuilnaam is Moka als je dat iets zegt tenminste’

 

Henrik was in volledige verwarring.

‘Hoort zij ook bij onze club?’.

‘Oh ja, al een lange tijd’.

‘Is dat de reden dat ik niets van haar heb gehoord?’

‘Dat was, gezien haar familie die diep in de Nazipartij zat, het beste’.

‘Je krijgt elke maand geld van ons, niet veel want dan valt het op, maar net genoeg om onze contacten te koesteren’.

Henrik bedacht zich ineens dat hij een brief voor Elisa had.

‘Ik heb hier twee brieven, kunnen jullie zorgen dat die op de bestemming komen?

‘Wat voor brieven?’

‘De eerste is voor Elisa en de ander voor iemand in Amsterdam’.

‘Die gaan vanavond nog weg, schrijf het Amsterdamse adres op die enveloppe en die voor Elisa, daar zet je alleen haar naam op en dan zorg ik dat die bij haar komt’.

Jaite gaf Henrik een pen en haastig schreef hij het adres van Elsa op de ene enveloppe.

De andere enveloppe had geen adres maar hij schreef enkel: fur Elisa.

Jaite stopte beide enveloppen in zijn zak en zei:

‘Voor dat je naar huis gaat krijg je nog drie dagen training en daarna stoppen wij je op een vrachtwagen met andere landgenoten die worden uitgewisseld met de Amerikanen aan de Elbe, daarna ben je in een paar dagen thuis’.

‘Waarom duurt dat nog een paar dagen?’.

Ze gaan je ondervragen en die drie dagen training heb je dan hard nodig’.

‘En als ik weiger?’.

‘Dan ga je morgen al naar de Amerikanen met de aantekening dat je in Duitse krijgsdienst bent geweest en dan weten wij niet wat er met je gaat gebeuren’,

‘Je wordt waarschijnlijk doodgeschoten’.

Henrik ging meteen akkoord.

‘Nou prima, hoe lang ga ik dit doen?’.

‘De rest van je leven’.

Ze namen nog een wodka.

 

De volgende dag zat Henrik in een leslokaal. Dat had hij al een tijd niet meegemaakt. Er zaten dames en heren in Russische uniformen en hij zat daar in zijn derdehands vervallen grote mannenpak. 

Het begon met een inleiding in cryptisch denken, hoe je op een andere manier berichten kan verzenden, ook op de manier hoe je dat doet. Een brief is wat anders dan een telegram of een ansichtkaart. Het bericht: de uil kan soms niet blaten kon je dan interpreteren dat er even geen contact mogelijk was.

Er waren meer voorbeelden maar de mooiste vond Henrik: verkoolde grap en dan bedoelden zij asbak. Dat was een nieuwe wereld voor hem, het rommelen met taal en als je het goed afsprak dan wist iedereen in de club wat er aan de hand was.

De volgende les ging over fotografie, het vak van zijn geliefde en zo leerde hij dat je met kleine camera’s bijna ongemerkt dingen kon fotograferen zonder dat iemand het in de gaten had.

Maar ook diafragma, opnametijden, films en het zelf ontwikkelen leerde hij  in een middag.

Toen volgde er nog een les over het gebruik van de telefoon. Telefoons konden worden afgeluisterd dus je moest met je taalgebruik niet opvallen tussen de normale gesprekken.

Het moest of zakelijk of persoonlijk zijn en niet te veel over anderen praten. Alsof je een normaal mens was die wat vrolijke dingen aan de ander doorgaf. Dat viel niet op was de boodschap.

Daarna ging het over coderen. Dat was niet zo moeilijk. Het enige wat telde was dat de codes duidelijk waren. Die codes moest je uit je hoofd leren want als die op papier kwamen dan was de code niets meer waard.

Hij werd daarna twee dagen getraind in het onthouden van die codes. Het waren er maar dertig maar dat was toch best ingewikkeld.

Twee dagen later zat Henrik in een Russische legerwagen met zijn witte koffertje. De Amerikanen deden helemaal niet moeilijk en zo ging hij met een Amerikaanse legerwagen naar Hengelo. De Nederlandse grenswachters vroegen hem: welkom, hoe gaat het?

Henrik zei ‘GUT’ maar bedoelde natuurlijk ‘góéd’ maar dat ontging iedereen. Henrik moest wel zijn Reichs Marken inleveren. Hij kreeg zowel een kwitantie als de mededeling dat hij het later zou terugkrijgen als was onderzocht dat het rechtmatig verkregen Marken waren. In Guldens hoogstwaarschijnlijk.

Henrik werd ondervraagd door het Militaire Gezag. Het enige wat hij vertelde was dat hij had gewerkt voor de Argus Motoren Werken. Geen woord over de Organization Todt en geen woord over de omstandigheden. Hij zweeg verder als het graf. Dat hij door de Amerikanen naar de Nederlandse grens was gebracht bleek in zijn voordeel te zijn.

Nog een voordeel was dat hij een brief van het ziekenhuis in Siemensstadt bij zich had waarin zijn tuberculose stond vermeld als reden voor opname in dat ziekenhuis. Een tuberculosepatiënt kon je maar beter niet interneren. Want dat interneren gebeurde bijna standaard, dwangarbeiders waren namelijk niet altijd dwangarbeiders volgens de opvattingen die er toen waren. En daar zat wel wat in.

Op 16 juni 1945 arriveerde Henrik berooid in Amsterdam. Hij was twee jaar minus een week in Duitsland geweest. Niemand stond hem op te wachten want niemand wist of en wanneer hij terug zou komen. Omdat zijn vader en broer in september 1944 uit Haarlem Noord waren geëvacueerd en hij wist dat zij in de Tolstraat waren ingetrokken bij zijn oom die bakker was viel de wandeling van het Centraal Station naar die Tolstraat hem toch wel zwaar. Het was niet hun eigen huis en of het goed met zijn moeder ging wist hij ook niet.

Hij was weer thuis en Amsterdam zag er net zo uit als vroeger. Maar zowel Henrik als de stad Amsterdam waren wel degelijk veranderd, net als de rest van de wereld maar dat wist hij toen nog niet.

 

BLIEB

 

Het spijt mij, ik was bang, voordat ik het wist had ik het pistool in mijn hand en schoot…uit angst. Het was toch donker, hoe moest ik nu zien dat u hier woonde en geen Russische soldaat was?

Ik wist nog maar nauwelijks hoe dat werkte…dat pistool bedoel ik…een week training en dat was maar weinig schieten…Rennen en dekking zoeken dat heb ik geleerd maar schieten ging mij niet goed af. Ik wilde naar huis…althans naar Berlijn. En ik was moe, doodmoe. En bang, doodsbang.

Er was verder niemand behalve u, die dood voor mijn voet lag. Ik had honger en het was koud, het was februari…het vroor dat het kraakte en ik had honger. Ik ben de boerderij in gegaan en heb gegeten en wat worsten meegenomen. Ook die jas was meer dan welkom, perfect mijn maat en warm…warmte had ik nodig…en u niet meer.

 

BLIEB