Het onderzoeks- en researchcentrum L.I.A.R. (Linwarder/Langerhin Instituut Artistieke Reconstructies) staat op de rand van wat ooit de stad zelf was—of wat daarvan over is. Geen officiële kaarten vermelden de plek nog, maar in archieven, dagboeken en gefluisterde verhalen leeft Linward/Langerhin sterker dan ooit.
Binnen de muren van het centrum werken historici zij aan zij met geologen en zelfverklaarde fantasten. De eersten zoeken naar feiten: verkoolde funderingen, half gesmolten gebruiksvoorwerpen, lagen as die precies twee eeuwen geleden zijn afgezet. De geologen proberen het onmogelijke te verklaren: waarom brandde het vuur heter dan enig natuurlijk vuur, en waarom lijkt de bodem nog steeds licht warm bij zonsopgang?
En dan zijn er de fantasten.
Zij geloven dat Linward/Langerhin nooit écht is verdwenen.
Volgens hen is de stad niet alleen verwoest, maar verschoven—uit fase geraakt met de werkelijkheid. Ze wijzen op de overleveringen: verhalen van reizigers die ’s nachts straten zien waar overdag alleen puin ligt, of stemmen horen in een taal die nergens anders voorkomt. Kinderen uit omliggende dorpen tekenen plattegronden die exact overeenkomen met kaarten die pas later in het archief worden teruggevonden.
Het instituut probeert Linward/Langerhin te conserveren, maar niemand is het erover eens wat dat betekent. Bewaar je de resten, of de verhalen? De stenen, of de herinnering?
Soms, wanneer de wind uit het oosten waait, zeggen medewerkers dat ze rook ruiken—vers, alsof de brand nog bezig is.
En op die momenten schrijft niemand iets op.
Reactie plaatsen
Reacties